Meer tijd

Bij het naderen van Den Haag kregen we te horen dat de trein vertraging zou oplopen. Het liep tegen acht uur in de avond. „Bij station Laan van Nieuw Oost-Indië is iemand voor de trein gaan staan”, riep de conducteur om.

‘Staan’.

Een laconiek eufemisme. ‘Springen’ valt rauwer op de maag, je ziet de fatale daad meteen voor je. „Ik weet niet hoe lang het kan duren”, ging de conducteur rustig verder, „maar ik vermoed lang.”

‘Het’.

Het was duidelijk dat de conducteur hier niet meer over het staan of springen sprak, maar over de gevolgen ervan, in het bijzonder het opruimen. Opnieuw waren we hem dankbaar dat hij ons de directe confrontatie met de werkelijkheid bespaarde, want we hadden al genoeg aan onze kop. De mens is een van egoïsme en hedonisme doortrokken wezen, en aan het einde van de dag wil hij naar huis. Daarom betrapt hij zich in een situatie als deze op allerlei opstandige gedachten over de staande of springende mens.

Moest dat nu zó? Had hij of zij geen rekening kunnen houden met de traumatische gevolgen die zo’n daad voor het treinpersoneel heeft? Waarom niet van een gebouw gesprongen, in het water gestapt, of een overdosis van het een of ander genomen? Het resultaat is hetzelfde en je bezorgt er je medemens de minste overlast mee. Of moeten we het staan of springen vooral als een laatste schreeuw om aandacht beschouwen?

Allemaal goed en wel, maar hoeveel tijd ging ons dit kosten?

Vijf kwartier, bleek uiteindelijk.

In die tijdsspanne konden zich gelukkig ook iets mildere gedachten ontwikkelen. Over de onvolmaaktheid van de schepping bijvoorbeeld, waar de betrokkene, „die zichzelf ook niet gemaakt had”, in zijn wanhoop het slachtoffer van was geworden. Er was voor deze gevallen een veel humanere en nuttiger oplossing mogelijk geweest, als de schepper iets creatiever te werk was gegaan.

Zelfdoding. Iemand doodt niet alleen zichzelf, maar ook een deel van de tijd die hem was toegemeten. Spijtig, maar het leven is nu eenmaal een boek dat sommigen te lang duurt. Zou het niet prachtig zijn als die resterende, ongebruikte tijd kon worden overgeheveld naar iemand die te weinig tijd had gekregen? De zelfdoder werd zodoende een donor van tijd en zijn daad was niet langer destructief, maar constructief.

Het was geen toeval dat ik op deze gedachte kwam. Eerder op de dag was ik in dat aardige, kleine Chabot Museum in Rotterdam naar een tentoonstelling van de Duitse schilderes Paula Moder-sohn-Becker (1876-1907) geweest. Bijzonder werk. Zelfportretten, schilderijen over moeder en kind, stillevens. Paula hield niet van mooie mensen, zelfs de kinderen zijn lelijk bij haar, maar dat geeft haar werk juist een navrante spanning.

Zij stierf op 31-jarige leeftijd aan een embolie, enkele weken na de geboorte van haar eerste kind. Toen had ze al 750 schilderijen en 1000 tekeningen gemaakt. Een vruchtbaar natuurtalent dus. Maar wat eeuwig zonde dat ze niet door mocht gaan – ook voor dat kind trouwens. Ze was misschien een van de grootste schilders van de twintigste eeuw geworden.

U begrijpt waar ik naartoe wil. Maar de schepper wilde en wil niet.