Leugens en liefde

‘Openbaringen’ is ....

Als kunst een beter mens van je maakt, dan zou ik heel goed moeten zijn. De gedachte is hardnekkig: je hebt een tot slechtheid geneigd mens, je hebt literatuur, muziek, theater – breng het een bij het ander en de wereld verandert ten goede. In de veelgeprezen Duitse bioscoophit, Das Leben der Anderen (die 1 maart in de Nederlandse bioscoop gaat draaien), roept de hoofdpersoon, een redelijk gezagsgetrouwe toneelschrijver in het Oost-Duitsland van de vroege jaren tachtig, bij het horen van mooie pianomuziek uit: „Hoe kan iemand die hier echt naar luistert, een slecht mens zijn?” Wij, in de bioscoopstoel, knikken instemmend. We weten dat de grootste kunstenaars egoïstische schoften kunnen zijn, we weten dat Hitler in zijn armste dagen geld spaarde om in de Weense opera Wagner te kunnen ondergaan, en toch blijven we geloven dat wat kunst met ons doet, intrinsiek goed is, ons beter maakt. We willen het geloven, zoals we willen geloven dat liefde sterker is dan de dood. De vijand van de Oost-Duitse toneelschrijver, een aanvankelijk ongenaakbare Stasi-officier, wordt bevrijd uit zijn cocon van ideologische kwaadaardigheid doordat hij een boek uit het appartement van de toneelschrijver ontvreemdt. We zien zijn serieuze gezicht terwijl hij in een boek is verdiept en we weten wat de filmmaker wil zeggen. De poëzie maakt hem vrij.

De Stasi-officier, zo blijkt uit het begin van de film, is een man van de regels, intelligent, maar zonder verbeeldingskracht, en dus ook zonder empathie met andere mensen. Later in de film, nadat hij door de gedichten in dat gestolen boek in aanraking is gekomen met de kunst, voegt hij het woord bij de daad. Letterlijk: hij vervalst de rapporten waarin verslag gedaan wordt van wat zich in het appartement van de afgeluisterde toneelschrijver voordoet. Terwijl de toneelschrijver met geestverwanten een brisant artikel schrijft over het hoge aantal zelfmoordgevallen in Oost-Duitsland, dat naar het Westen zal worden gesmokkeld, rept de officier in zijn rapporten van een jubelend toneelstuk waarin het veertigjarig jubileum van de communistische volksrepubliek wordt verheerlijkt. Liegend redt de Stasi-officier een leven; hij gebruikt zijn verbeelding om de werkelijkheid ten goede te beïnvloeden.

De toneelschrijver heeft zelf geen benul; hij beseft niet eens dat hij wordt afgeluisterd. Hij is loyaal aan het regime, zijn stukken kunnen gewoon zonder aanpassingen gespeeld worden, zijn vriendin is een gevierde actrice. De leugens in de afluisterrapporten van de officier zijn bedoeld om hem te behoeden voor zijn fatale onwetendheid, de officier ontpopt zich als zijn liefdevolle beschermengel.

Precies daar valt Das Leben der Anderen samen met die andere Duitse bioscoophit over de Oost-Duitse werkelijkheid van een paar jaar geleden, Goodbye Lenin!. Ogenschijnlijk zijn die films tegengesteld aan elkaar: in Goodbye Lenin! overheerste de vergoelijkende nostalgie naar de verdwenen Oost-Duitse republiek, het terugverlangen naar de communistische liedjes en potjes augurken, terwijl in Das Leben der Anderen getoond wordt hoe een politiek systeem de geest van een volk kan vergiftigen, uiteindelijk alles van waarde kapotmaakt.

Maar kijk nog eens goed en je ziet dat er in wezen hetzelfde verhaal wordt verteld. Ook in Goodbye Lenin! beschermen doelbewuste leugens tegen de harde werkelijkheid. Alleen is het hier precies omgekeerd: een Duitse vrouw raakt in coma en terwijl zij zich een tijd van niets bewust is, valt de Muur en verandert haar wereld zonder dat ze het weet. Wanneer ze bijkomt, probeert haar zoon haar liefdevol te beschermen voor de schok – ze heeft het aan haar hart – door de Oost-Duitse werkelijkheid voor haar in scène te zetten. Wat eerst echt was, wordt nu nagespeeld.

Aan het eind van de film ontdekt de moeder het bedrog van haar zoon. Vanaf haar sterfbed observeert ze hoe hij uit alle macht probeert de gefakete werkelijkheid intact te houden. Nu liegt ze uit liefde voor hem: ze sterft zonder te laten blijken dat ze hem doorheeft. Das Leben der Anderen eindigt met eenzelfde catharsis: jaren na de val van de Muur krijgt de toneelschrijver de rapporten van de Stasi-officier onder ogen en beseft hij dat die een werkelijkheid op papier heeft verzonnen om hem voor vervolging te behoeden. Hij bedankt hem ook in woorden: het boek dat hij schrijft over zijn ervaringen, draagt hij op aan de man die hem heeft afgeluisterd.

Zo huldigen beide films de fictie, de leugen uit liefde. In Das Leben der Anderen krijgt ook de kwaadaardige leugen gestalte: de communistische leugen, de staatsleugen die de waarheid steeds opnieuw geweld aandoet. Communisten zijn geboren leugenaars, omdat er een onverdraaglijke kloof gaapt tussen wil en werkelijkheid. Het zijn onverbeterlijke verdraaiers, die heel goed beseffen dat hun ideologie niets met de werkelijkheid te maken heeft – en dus moet de werkelijkheid het ontgelden. Maar mensen worden niet slecht door een ideologie, wil deze film laten zien, slechte mensen maken een ideologie; de communistische schoften in de film zijn na de val van de Muur gewoon cynische schoften.

Hoe verhouden die twee soorten leugens, de goede en de kwade leugen, zich tot elkaar? De eerste schept, de twee vernietigt. De afluisterende officier wil eerst vernietigen in naam van de kwade, ideologische leugen, dan verandert hij in een beschermengel, die liegt om de vernietigende kracht van de kwade leugen af te wenden. Hij wordt bekeerd door zijn groeiende empathie met het koppel in het appartement onder hem dat hij zo nauwgezet observeert, maar die empathie wordt gevoed door de kunst. Hij leest poëzie, de goede leugen van de kunst ondermijnt de kwade leugen van de ideologie; de goede leugen vernietigt de ontmenselijkte abstracties van de kwade leugen. Dat is, voor zowel de makers van Goodbye Lenin! als die van Das Leben der Anderen de taak van de kunst. Kunst is de goede leugen.

Het grappige is dat deze films over de recente Duitse geschiedenis twee verschillende abstracties onderuit halen: Das Leben der Anderen maakte korte metten met de ontmenselijkende werking van het communistische regime, Goodbye Lenin! verzet zich juist tegen de neiging om de ervaring van de Duitsers die onder het communisme hebben geleefd achteraf ongeldig te verklaren, wat ook weer een vernietigende abstractie is. Het communisme was een verschrikking, maar dat maakt de levens van de mensen die het ervaren hebben nog niet eendimensionaal of waardeloos.

En wat leest de bekeerde Stasi-officier? Hij leest gedichten van Bertolt Brecht, een kunstenaar die zowel de kwade leugen van de ideologie als de goede van de kunst in zich droeg. Het wonder van Brecht is dat zoveel van zijn werk ontsnapt aan de kwade leugen, terwijl hij tot aan het einde van zijn leven die kwade leugen heeft aangehangen, zich nooit heeft afgekeerd van het Oost-Duitse communisme. Maar zijn kunst bekeert een Stasi-officier, zijn kunst is oneindig veel groter dan hij zelf.