Kom, we gaan de straat op

Philippe Raynaud: L’extrême gauche plurielle.Editions Autrement, 206 blz. € 17,–

Michel Winock: La gauche en France. Perrin, 502 blz. € 11,–

Een jaar voor de Franse presidentsverkiezingen van 2002 werd bekend dat premier Lionel Jospin, de socialistische kandidaat voor het presidentschap, actief lid is geweest van een radicaal-linkse, trotskistische splintergroepering. Tot de strijdmethoden van sommige trotskistische groeperingen behoorde het om hun leden als mollen in de gevestigde politieke partijen te parachuteren. De trotskist Jospin schopte het tot secretaris-generaal van de Parti Socialiste. In 1981, bij de verkiezing van François Mitterrand tot president, verbrak hij pas zijn banden met de trotskisten.

De zaak-Jospin staat niet op zichzelf. Anders dan in veel andere Westerse landen, zijn de radicaal-links splintergroepen in Frankrijk na de jaren zeventig niet verdwenen. De grootste en succesrijkste groepering is de Ligue Communiste Révolutionnaire (LCR) die ook nu weer aan de komende presidentsverkiezingen meedoet. De partij beschikt in de persoon van Olivier Besancenot over een aanstekelijke jonge leider en ze bezit mede door haar culturele activiteiten een reële aantrekkingskracht op de jongere generaties. Ze is daarin geslaagd door nieuwe thema’s als homo- emancipatie en legalisatie van soft drugs aan te roeren en als woordvoerder op te treden van allerlei misstanden.

Ook niet-trotskistische revolutionaire groeperingen zijn nog steeds van de partij. Ondanks de val van de Muur en de verschrompeling van de op Moskou georiënteerde communistische partij, is de aantrekkingskracht van revolutionaire stromingen en opvattingen nog altijd niet verdwenen. Met gemiddeld tien procent van het electoraat vormen de extreem-linkse partijtjes een niet te negeren factor bij verkiezingen. De globalisering – of mondialisation, zoals de Fransen zeggen – heeft gezorgd voor een nieuwe aanwas aan radicaal-linkse bewegingen, die in liberalisering een rechtstreekse bedreiging zien voor het Franse sociale samenlevingsmodel, dat zwaar leunt op de staat. De meest in het oog springende organisatie in dit verband is Attac, die is uitgewaaierd naar tal van andere landen en ook in Nederland is vertegenwoordigd. De invloed van de linkse groeperingen straalt door naar de gevestigde partijen. Daardoor worden zij in hun speelruimte en daarmee hun vermogen beperkt om zich aan de elders in Europa heersende politieke verhoudingen aan te passen.

Trotskisten

De liberale Franse politicoloog Philippe Raynaud heeft in zijn boek L’extrême gauche plurielle de kaart getekend van al deze bewegingen. Naast critici van de globalisering en trotskisten beschrijft hij ook organisaties die het Franse koloniale verleden op de korrel nemen of een radicaal andere koers verlangen in het Israëlisch-Palestijnse conflict. Op uitputtende wijze heeft Raynaud zich verdiept in de ideologieën die hun eigen zijn en de manier waarop zij zich vervolgens organiseren.

Het radicale denken heeft zijn eigen theoretici, die vrijwel uitsluitend van Franse bodem afkomstig zijn. Op Alain Badiou na genieten zij elders geen bekendheid. Was de radicale kritiek ooit sterk marxistisch georiënteerd, nu constateert Raynaud dat de overheersende invloed van het marxisme ook in Frankrijk is verdwenen. Wel verschijnen er nog steeds marxistische tijdschriften als Actuel Marx en La Pensée, maar deze geven tegenwoordig ook ruimte aan andersdenkenden. Een gemeenschappelijke ideologie zoals destijds het marxisme bood, ontbreekt nu.

Raynauds boek stelt jammer genoeg teleur waar hij de diepere oorzaken probeert te achterhalen van de radicaal- linkse lente. Hij volstaat eigenlijk met het nauwgezet in kaart denken van al deze groeperingen en hun opvattingen. Als mogelijke achtergrond wijst Raynaud op het feit dat de socialisten onder leiding van Mitterrand nooit expliciet ideologische consequenties hebben getrokken uit hun mislukte poging om na 1981, na het aantreden van president Mitterrand, een radicaal ander beleid te voeren. Door dit na te laten konden illusies over een radicaal anders in te richten samenleving ook na het debacle van Mitterrands aanvankelijke socialistische koers, opnieuw de kop opsteken.

Symbiose

Die analyse wordt indirect bevestigd door de historicus Michel Winock in La gauche en France, een verzameling uitstekend leesbare en goed gedocumenteerde opstellen over de geschiedenis van links in Frankrijk. Hij laat zien dat de Franse sociaal-democraten altijd in symbiose hebben geleefd met de communisten en andere organisaties van radicaal links. De Franse socialisten wezen de bolsjewistische revolutie af omdat die niet volgens de regels van de marxistische leer tot stand was gekomen, maar niet de revolutie zelf. In zijn laatste kabinet nam premier Jospin communisten op. Mitterrand deed dat in de jaren tachtig en Léon Blum in de jaren dertig. Een duidelijk gemarkeerd afscheid van de marxistische idealen hebben de Franse socialisten nooit aangedurfd, anders dan de Duitse SPD, die dat wel deed tijdens het beroemde congres van Bad Godesberg in 1959.

Daarbij komt de eeuwenoude Franse revolutionaire traditie, die bij Raynaud onvoldoende nadruk krijgt. De politiek is in die traditie het domein van ijle abstracties, die het Franse denken in al haar geledingen nog altijd doortrekken. Zo wil ook de kandidaat van rechts bij de komende presidentsverkiezingen, Nicolas Sarkozy, een heuse ‘rupture’ bewerkstelligen in de maatschappelijke verhoudingen. Wie het politieke denken in Frankrijk wil begrijpen, kan daarom nog altijd niet heen om het prestige dat de revolutie uitoefent. Dat verklaart waarom Frankrijk politiek nog steeds een buitenbeentje is.