Klifhanger 26

Wat vooraf ging: Diep onder de grond zijn Tjalling en Katja beland in een spiegelpaleis. Ze kijken allebei in een spiegel...

Mijn ouders! Heit! Mem! Ik zag ze zo duidelijk! Ze waren daar, vlak voor m'n neus! Ze zaten in de keuken. Mijn mem hield haar handen voor haar gezicht. Mijn heit stond ernaast, en hij tuurde uit het raam, over het weiland. Dat deed hij altijd als hij niet meer wist wat hij moest zeggen...

Ik wilde bij ze zijn. Ik wilde ze zeggen dat het goed met me ging, en dat ik een vriendin had gevonden. Want Katja was mijn vriendin. Dat was ze geworden. We hielden elkaars hand vast, we waren draaierig van dat rondtollen. En we keken in de spiegels, die misschien geen spiegels waren, maar doorgangen, net zo vreemd als dat worm-hole, waar we hiervoor doorheen waren gekropen.

Katja zei: „Sebastiaan!”

Zij keek een andere kant uit, en blijkbaar zag ze daar haar verdwenen vriend, waar we nu al zolang naar op zoek waren. Ze wilde er naartoe lopen. Maar ik hield haar vast.

„Blijf bij me!” zei ik. „We moeten bij elkaar blijven!”

Ik zag haar opschrikken. Nu keek ze weer naar mij.

„Tjalling”, zei ze. „Ga met me mee.”

„Ga met mij mee!” riep ik. „We moeten die kant uit!”

En dus stonden we aan elkaar te trekken. We wilden allebei een andere kant op, en tegelijkertijd wilden we elkaar niet loslaten.

Ik keek weer in die spiegel. Heit had zich omgedraaid. Hij zei iets tegen m'n mem.

„Heit!” riep ik. „Ik ben ’t! Tjalling!”

Daarna was Katja’s gezicht vlakbij het mijne.

„Alles is troebel geworden”, zei ze treurig. „Sebastiaan is alweer verdwenen. Maar hij leeft nog! Dat ik weet ik nu zeker!”

Nu verscheen er boven ons een wolk. Alsof een rookmachine stond te blazen ergens in de buurt. Ik had dat ooit gezien. Ooit was er een optreden van een band geweest, in een hooischuur in het dorp. Die hadden een rookmachine gehad. Hele wolken werden er toen naar binnen geblazen.

Dit was hetzelfde. Een wolk werd de zaal in gedreven en in het midden van die wolk hing iets. Iets zwaarders. Het leek op een gesloten oog.

Iemand, bedacht ik me, had iets gezegd over een wolk met een oog. Dat was generaal MacDonald geweest! Die had het over de Grote Kwaak gehad, die reisde in een wolk...

„Tjalling”, fluisterde Katja. „Kóm nu.”

Alles gebeurde toen tegelijkertijd. Het oog ging langzaam open, boven ons. En in de spiegel keek mijn moeder op. Ze had gehuild, en ze keek recht in m'n gezicht.

„Mem!” riep ik opnieuw. „Mem, hier ben ik!”

Ik rukte me los van Katja’s hand en nam een aanloop. Ik sprong. Er klonk een geweldig gerinkel om me heen.

Wordt vervolgd