Ik heb weinig met mezelf gemeen

Norman Manea Foto Nancy Crampton Crampton, Nancy

Norman Manea: De terugkeer van de hooligan. Uit het Roemeens vertaald door Ellen Bredius. Meulenhoff, 446 blz. € 24,90

Als ik ben aangeland op pagina 416, wanneer de verteller bij het graf van zijn moeder vaststelt dat zijn joods-Roemeense familie uiteengereten is door de geschiedenis, begeeft de rug van het boek het en worden de bladzijden niet langer bijeengehouden. De diaspora wordt ineens letterlijk tastbaar en de gespletenheid waarover de schrijver Norman Manea (1936) zo onuitputtelijk heeft bericht in zijn memoires, verandert van een abstractie in een concreet gegeven.

Gespletenheid is een sleutelbegrip in De terugkeer van de hooligan. Grosso modo gaat het boek over ‘de ambiguïteit van het (fascistische) werkkamp, van de communistische strafkolonie en over de ambiguïteit van de verbanning’, zoals de terugblikkende schrijver het zelf formuleert. Maar de ambiguïteit blijkt nog veel meer vertakkingen te hebben. Het begint er al mee dat Manea zichzelf beschouwt als iemand die ‘het ongeduld van de tegenstellingen’ van zijn ouders verenigt. Zijn moeder betrokken, theatraal, panisch en energiek; zijn vader discreet, plichtsgetrouw, apathisch en zwijgzaam. Dat Norman Manea een onmogelijke optelsom van deze karaktertrekken is, zou een verklaring kunnen zijn voor zijn weifelmoedige houding, die maakt dat hij zo lang wacht met enerzijds zijn vertrek uit het land dat hem zo vaak heeft proberen uit te kotsen, en anderzijds met een definitieve keuze voor het schrijverschap.

Veertien jaar lang heeft Manea als waterbouwkundig ingenieur zijn gespletenheid ervaren door de mannelijke, praktische kant van zichzelf te laten prevaleren boven het ‘vrouwelijke’, beweeglijke deel van hemzelf, omdat hij meende daardoor beter te kunnen omgaan met de valstrikken van het communistische systeem. Dat systeem was in zijn ogen ook een reservoir van ambiguïteiten, waarbij laaghartige maskerades en ‘de schizofrenie van valse vertegenwoordigers’ hoogtij vierden. Pas wanneer hij erkent dat hij uitsluitend kan thuiskomen in de taal en het schrijverschap, manifesteert zich een pijnlijke kloof tussen hem en zijn omgeving. Maar juist door de ‘waanzin van het schrijven’ te omhelzen ziet hij niet de noodzaak echt in ballingschap te gaan, want de taal is nu zijn toevluchtsoord.

Een schrijver is op zichzelf al een uitgestotene, wiens enige vaderland de taal is. Met instemming citeert Manea zijn landgenoot en collega Cioran: ‘Buitengesloten zijn is de enige waardigheid die we hebben.’ Zijn angst dat hij door een daadwerkelijke ballingschap ook uit zijn taal verbannen wordt, neemt Manea uiteindelijk voor lief wanneer de treiterijen van de trawanten van Ceausescu hem te veel worden. Op zijn vijftigste, vijfenveertig jaar nadat hij in 1941 als jood voor het eerst uit zijn vaderland verdreven werd, ziet hij zich opnieuw gedwongen weg te gaan, een zoveelste schakel in een keten van onteigeningen en initiaties. Maar zelfs als Ceausescu is overleden en Manea al een aantal jaren vanaf een veilige afstand zijn vaderland gadeslaat, blijft Roemenië voor hem getuigen van een ‘onbegrijpelijke compatibiliteit tussen walging en charme’.

Daarmee is de lijst van tweeslachtigheden nog niet ten einde. Als jood in collectieve zin ondervindt Manea een innerlijke strijd tussen een spirituele autonomie en het gevoel voordurend opgejaagd te worden. Maar als individuele jood voelt hij zich een ‘niet-joodse jood’, die zichzelf niet in staat acht ‘het uniform van de tragedie’ te dragen en als schrijver weigert de gruwelen van de Holocaust te exploiteren. Ook als hij zich uiteindelijk in New York vestigt, blijft hij zichzelf ervaren als een hybride. Ditmaal wordt de tweeslachtigheid veroorzaakt doordat een nieuwe taal in zijn moedertaal doordringt. Bovendien wordt hij als schrijvende balling in de VS op handen gedragen, terwijl hij in het postcommunistische vaderland verguisd wordt vanwege een kritisch artikel in The New Republic over de relatie van de Roemeense schrijver Mircea Eliade in de jaren dertig met de fascistische IJzeren Garde. Daarom ook koestert hij gemengde gevoelens over een eventuele korte terugkeer naar het land waar hij al negen jaar niet meer is geweest. Uiteindelijk besluit hij de confrontatie met zijn geboortegrond en zijn verleden aan te gaan. Na een met feestelijkheden en ontmoetingen opgetuigd verblijf in Boekarest, Transsylvanië en zijn geboortestad Suceava, constateert hij bijna mismoedig: ‘ik heb amper iets met mijzelf gemeen’.

Uit het bovenstaande kan men al opmaken dat Manea niet bepaald een keurig uitgewalst levensverhaal wilde schrijven. De terugkeer van de hooligan bestaat uit een rapsodisch en weelderig gewemel van feiten, beschouwingen, impressies, citaten, portretten, analyses en metaforen. Het verhaal beweegt zich spiraalsgewijs voort, met als terugkerende snijpunten 1941 (deportatie van de joodse familie naar een werkkamp in Transnistrië), 1945 (bevrijding en terugkeer naar Roemenië), 1986 (vertrek uit het Roemenië van Ceausescu), 1988 (aankomst in VS, het ‘Vaderland der Ontheemden’) en 1997 (tijdelijke terugkeer naar het postcommunistische, onttakelde Roemenië). Geen lineair opgediende anekdotes over de sprookjesachtige kindertijd van vóór de verdrijving uit het ‘zoete Bucovina, verrukkelijke tuin’ in het noorden van Roemenië. Nee, het zijn eerder taaie brokken die Manea de lezer toewerpt – er moet duchtig gekauwd en herkauwd worden. Geen hartverscheurende episodes ook over de verschrikkingen die de Oost- Europese joden ten tijde van de Tweede Wereldoorlog moesten ondergaan. Met lichte weerzin verwijlt Manea slechts even bij dit drama omdat hij zich verzet tegen ‘de vernedering gedefinieerd te zijn door [...] een collectieve ramp’.

Evenmin krijgen we passages voorgeschoteld van de verbeten strijd tussen een heldhaftige dissident en een onmenselijk regime dat overeind wordt gehouden door de alomtegenwoordige veiligheidsagenten van de Securitate. De schrijver staat wel stil bij de leugenachtige praktijken van het communistische tijdperk, maar zijn eigen rol hierin is weinig eenduidig. Meer dan een hooligan, een troublemaker voor de staat is hij dat voor zichzelf, omdat hij achter steeds andere maskers buiten schot tracht te blijven.

De associatieve en reflecterende schrijfstijl in De terugkeer van de hooligan levert soms sprankelende taal op, maar mondt af en toe ook uit in cryptisch en ondoorzichtig getheoretiseer, niet ongelijk aan het stalinistische idioom dat Manea zo verfoeit. Op die momenten is de taal niet langer ‘pulserend’ (zoals Manea de Roemeense taal omschrijft) maar eerder stremmend, en dan verlang je naar de bijtende helderheid van Cioran, de meester van de maximes. Manea is verzot op zinnetjes zonder een werkwoord, op herhalingen en opsommingen. De veelvuldig gehanteerde beeldspraak treft nu eens doel en doet dan weer geforceerd aan. Daarnaast huldigt hij een dubieuze voorkeur voor tamelijk kitscherige benamingen als ‘de afgrond van de tweedracht’ en ‘de enclaves van de normaliteit’.

Hoe dan ook, Manea bewijst met zijn verteltrant dat hij de taal van allerlei kanten wenst te benaderen en te onderzoeken. En die attitude weerspiegelt dan weer bij uitstek de boeiende worsteling van een tobbend mens, die principieel weigert de weg van de minste weerstand te bewandelen. Wat restte nadat ik de laatste losgeraakte pagina van het boek tussen de kaften had opgeborgen, was een ambigu gevoel. Een ambigu gevoel over een verhaal vol ambiguïteiten.