Hoe vaak stootte Schmelzer zijn neus?

In het Nederland van de jaren zestig was Vietnam op z’n mooist het grimmige internationale decor voor alle nationale opgewondenheden.

Vietnam-veteranen werpen in Washington in april 1971 bij wijze van protest hun onderscheidingen weg Foto AP Vietnam war veterans throw back their Purple Hearts, Bronze Stars, Silver Stars, campaign ribbons and other items on the U.S. Capitol Building grounds in an Anti-Vietnam War protest on April 23, 1971. About 800 veterans marched to the barricaded area of the Capitol on the final day of Operation Dewey Canyon III. (AP Photo) Associated Press

Rimko van der Maar: Welterusten mijnheer de president. Nederland en de Vietnamoorlog 1965-1973. Boom, 294 blz. € 19,90.

Hoe overheersend was precies de Nederlandse belangstelling voor (of verontwaardiging over) de Vietnamoorlog in de roezige jaren zestig van de vorige eeuw?

Moeilijk te achterhalen. Zoals over een halve eeuw ternauwernood betrouwbaar gemeten zal kunnen worden met hoeveel aandacht en emoties we hier hebben meegeleefd met de oorlog in Irak.

In het geval van Vietnam is het achteraf des te lastiger, omdat er in de periode dat die oorlog onafgebroken voorpaginanieuws was (zeg maar van 1965 tot begin jaren zeventig) nog tien of twintig andere ‘affaires’ aanleiding gaven tot grotere of kleinere vormen van nationale opwinding. Het huwelijk van Beatrix met Claus, de Nacht van Schmelzer, de actie Tomaat, beeldende kunstenaars die vonden dat Rembrandt in het Rijksmuseum plaats moest maken voor een jongere schildersgeneratie, de bezetting van het Maagdenhuis, of matrozen die werkschuwe langharige Damslapers van het Amsterdamse herdenkingsmonument verjoegen – de ene commotie na de andere, maar met Vietnam hadden ze niets te maken.

Het is zelfs maar de vraag of ‘Vietnam’ zoiets als de grondtoon van de algehele onvrede of het algehele protest zou hebben aangegeven. Waarschijnlijk niet. Vietnam was op z’n mooist het grimmige internationale decor voor al die nationale opgewondenheden, het kreeg op z’n tijd eigen massale protestdemonstraties, maar raakte ook weer op de achtergrond zodra de politie op de Prinsengracht iets te hard tekeer was gegaan tegen een jongen die tijdens een relletje alleen maar z’n fiets kwam ophalen.

Kerstbombardementen

Als Nixon in 1972 opdracht heeft gegeven tot de zogenaamde kerstbombardementen op Hanoi en Haiphong, en verzamelde actiecomités bijna 100.000 betogers in Utrecht op de been hebben gekregen, blijkt uit een enquête dat veel Nederlanders het Amerikaanse geweld op Vietnamese burgerdoelen afkeuren, maar dat een ruime meerderheid van de bevolking van mening is gebleven dat op de noodzaak van Amerikaanse militaire aanwezigheid in het door de communisten bedreigde deel van Zuidoost Azië, weinig valt af te dingen.

De uitkomst van dat opinieonderzoek wordt uiteraard gereleveerd in het proefschrift van de Utrechtse historicus Rimko van der Maar, waarin de maatschappelijke en politieke weerslag van de Vietnamoorlog op de Nederlandse samenleving wordt behandeld. Ook de gelijktijdige Nederlandse incidenten komen zijdelings aan de orde – als bewijzen van een blijkbaar brede rebellie tegen een oud, autoritair regentenestablishment, maar toch tamelijk in de marge van ontwikkelingen in de grote, geopolitieke buitenwereld

Waarom heeft Van der Maar zijn studie Welterusten mijnheer de president genoemd? Aardige titel natuurlijk, aardig eerbetoon ook aan Boudewijn de Groot en tekstschrijver Lennaert Nijgh die met hun aan Boris Vian ontleende chanson hét protestlied van de jaren zestig op hun naam zetten – maar is het een vlag die inhoudelijk de lading dekt? Het lijkt er een beetje op dat Van der Maar niet een erg scherpe keuze heeft willen of kunnen maken voor een uitgesproken politicologische dan wel sociologische aanpak, en het in ieder geval wat de titel betreft bij een zekere sociaal- culturele vaagheid heeft willen laten.

Zijn boek heeft alle souplesse van een journalistieke reconstructie, en misschien iets te weinig ‘theoretische’ kadering van een academische dissertatie. Je ziet dat bijvoorbeeld aan het hoofdstuk dat gewijd is aan Ralph Waver die in 1970 in de Maasvlakte deserteerde van een Amerikaans marineschip, en als eerste ‘oorlogsvluchteling’ in Nederland politiek asiel aanvroeg – en na lange procedures, begeleid door talrijke Nederlandse protestmarsen, waarachtig een verblijfsvergunning kreeg. Van der Maar doet de casus helder en zakelijk uit de doeken, maar het toeval wil dat de VPRO recentelijk een documentaire over de zaak uitzond die als tijdsbeeld en in termen van degelijke informatie, hetzelfde effect sorteerde; Van der Maar zou de maker geweest kunnen zijn.

Sloffen

Nadere vragen worden en werden noch in het proefschrift, noch in de documentaire gesteld. Wat bewoog de Amerikanen om, ondanks de voor hen schadelijke publicitaire ophef die in Nederland al van de kwestie was gemaakt, toch af te zien van een verzoek om uitlevering? Heeft het kabinet-Biesheuvel topdiplomatie moeten bedrijven om het zo ver te laten komen, of waren ze even verrast als Waver en zijn vrienden toen Washington de zaak ineens liet sloffen?

Twee achtereenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken (Luns het langst, Schmelzer even onder Biesheuvel) moeten geschipperd hebben om Nederlandse Kamermoties (die in ieder geval om stopzetting van de bombardementen hadden gevraagd) zo omzichtig mogelijk onder Amerikaanse aandacht te brengen. Hoe precies? Hoeveel heeft Luns in Den Haag bij mekaar gejokt, en hoe vaak heeft Schmelzer in Washington z’n neus gestoten?

Het is een interessante kant aan het onderzoek van Van der Maar: de rol van de vier Nederlandse kabinetten in de beschreven periode – Marijnen, Cals, De Jong en Biesheuvel. In drie daarvan was Luns oppermachtig over alle buitenland, en ofschoon hij het met de Amerikaanse operaties in Vietnam van harte eens was, heeft hij zich nooit laten verleiden tot openlijke politieke steun. Uit beginsel? Maar wat behelsde zijn principe dan? Of omdat de Amerikanen niet al te hard aandrongen? Maar waarom waren die dan ineens zo terughoudend?

Drie van de vier genoemde kabinetten strandden voortijdig: Marijnen op omroepreclame, Cals op Schmelzer en Biesheuvel op de politieke amateurs van DS70. Vietnam speelde in geen der crises een rol. Maar in de periode waarin niet alleen in de politiek maar ook in veel maatschappelijke ‘middenvelden’ de oppositie tegen het door de Nederlandse regering ‘begrepen’ Amerikaanse Vietnambeleid haar hoogtepunt bereikte (1967-’71), zat het kabinet- De Jong zonder al te veel obstakels zijn volle tijd uit. Wonderbaarlijk.

Analyses blijven in Van der Maars ongedwongen boek aan de oppervlakte. Maar misschien is het ook nog te vroeg om tot voorbij de buitenkant in de roezige jaren zestig door te dringen.