Hoe imperialistisch is Amerika?

Volgens de neoconservatieve denker Robert Kagan is het optreden van president Bush niet afwijkend. Amerika was altijd een ‘revolutionaire’ natie met een interventionistische buitenlandse politiek. Is dat zo?

Landing van Amerikaanse soldaten in Guantánamo Bay op Cuba in 1898 tijdens de oorlog tegen koloniaal Spanje, een gravure van F. Méaulle in ‘Le Petit Journal’ Foto Roger Viollet Guerre hispano-américaine. Débarquement américain à Guantanamo (Cuba). Gravure de F. Méaulle. "Le Petit Journal", juillet 1898. RVB-930534 ROGER_VIOLLET

Robert Kagan: Dangerous Nation. America’s Place in the World from Its Earliest Days to the Dawn of the Twentieth Century. Knopf, 527 blz. € 27,99

Thomas Bender: A Nation Among Nations. America’s Place in World History. Hill and Wang, 368 blz. € 27,99

Bernard Porter: Empire and Superempire. Britain, America and the World. Yale University Press, 211 blz. € 30,99

Knalharde soundbites, de moderne historicus die een groot publiek wil bereiken kan bijna niet zonder. De neoconservatieve publicist Robert Kagan kent het klappen van de zweep sinds hij met zijn politiek-historische pamflet Of Power and Principle (2003) de provocerende stelling lanceerde dat Europeanen afkomstig zijn van het vredelievende Venus en Amerikanen van het krijgslustige Mars. Hij vertelt niet op welke planeet hij zat toen hij Dangerous Nation schreef, maar zeker is dat de atmosfeer op deze plaats voldoende brandstof bevat voor een flinke stoot adrenaline. Kagan heeft met dit boek geen geringere ambitie dan het bestaande beeld van de Amerikaanse buitenlandse politiek in de 19de eeuw met een forse worp omver te kegelen.

Een natie die in zichzelf was gekeerd, afkerig van buitenlandse betrokkenheid, isolationistisch? Niets van waar, aldus Kagan. De Verenigde Staten waren in hun buitenlandse politiek van het begin af aan ambitieus en revolutionair. De VS vormde een permanent gevaar voor de machthebbers in andere naties, door hun doelstelling een liberaal-democratische ideologie te verspreiden die geen grenzen erkende, geografisch noch cultureel.

Dangerous Nation, dat zal worden gevolgd door een tweede deel over de 20ste eeuwse Amerikaanse buitenlandse politiek, leest als een poging de neoconservatieve agenda terug te projecteren op de Amerikaanse geschiedenis. Het verwarrende resultaat kan worden getypeerd als een briljante mislukking. Omdat Kagan als geschiedschrijver over voortreffelijke kwaliteiten beschikt, weet hij de lezer mee te slepen in een erudiet en genuanceerd betoog, dat zijn politiek-ideologische credo echter op veel meer plaatsen weerspreekt dan ondersteunt.

Sinds de Onafhankelijkheidsverklaring van 1776 beschouwt elke Amerikaanse regering zich volgens Kagan als de vrijheidslievende voorhoede van de mensheid. Maar was ‘the foreign policy of revolution’, die in zijn ogen al met President George Washington begon, werkelijk meer dan plichtmatige lippendienst aan de hooggestemde idealen van ‘life, liberty and the pursuit of happiness’, die de grondslag vormden van de Amerikaanse natie? Kagan maakt namelijk ook duidelijk dat de tomeloze, westwaartse expansiedrang van de kolonisten (volgens de auteur ook een vorm van ‘buitenlandse politiek’) niet werd gemotiveerd door idealisme, maar door territoriumdrift met economische motieven. De kolonisten bekeerden de oorspronkelijke bevolking van Amerika niet tot hogere idealen, de indianen werden verdreven en uitgemoord omdat hun land goed was voor de broodnodige inkomsten. Opeenvolgende Amerikaanse regeringen konden niet veel anders doen dan dit particuliere initiatief actief steunen.

Dangerous Nation maakt bovendien duidelijk dat ook de echte buitenlandse politiek, de verhouding met andere naties, werd bepaald door aardse motieven, het neoconservatieve credo van de auteur ten spijt. Amerika was lange tijd zwak en kon alleen overleven door middel van ordinaire belangenpolitiek. Die bestond uit het sluiten van wisselende allianties met de verafschuwde Europese grote mogendheden. De Verenigde Staten kregen steun van Frankrijk tijdens de Onafhankelijkheidsoorlog tegen de Britten, zochten tien jaar later samenwerking met datzelfde Groot-Brittannië toen Napoleon ook voor Amerika een bedreiging leek te worden, om vervolgens opnieuw oorlog te voeren tegen diezelfde Britten.

Ook in de buitenlandse handel ging het om gewin en niet om universele principes. Commerciële belangen waren bepalend voor de verhouding tot Centraal- en Latijns-Amerikaanse landen. Verspreiding van de democratie in deze regio werd door opeenvolgende Amerikaanse regeringen als een onhaalbare kaart gezien. Het gewicht van de Spaanse koloniale erfenis met zijn autocratische inslag en de invloed van het katholicisme, maakten deze naties volgens de Amerikanen ongeschikt voor een liberaal-democratisch systeem.

Kagan beschrijft deze ontwikkelingen met veel verve en kennis van zaken. Het is dan ook een raadsel hoe hij vervolgens tot de conclusie komt dat de in 1898 begonnen oorlog tegen het koloniale Spanje – in de traditionele geschiedschrijving vaak als de overgang naar een meer imperialistische politiek beschouwd – een ‘humanitaire oorlog’ was, tegen de koloniale onderdrukker van Cuba en de Filippijnen. Die oorlog zou aansluiting hebben gevonden bij de al meer dan honderd jaar intens beleefde waarden van de Onafhankelijkheidsverklaring. Maar tot meer dan retoriek, zo blijkt uit Kagans eigen betoog, hadden die waarden nooit aanleiding gegeven.

Waar komt deze onbedwingbare zucht naar een herziening van het bestaande beeld van de geschiedenis vandaan? Geen grotere stimulans om de geschiedenis te herschrijven dan de politieke actualiteit. Sinds 1989 is Amerika als enige supermogendheid overgebleven. De behoefte om die positie historisch te rechtvaardigen is groot, zeker in neoconservatieve kringen, die dit overwicht willen aanwenden voor een activistische buitenlandse politiek. Na 11 september 2001 hebben de interventies in Afghanistan en Irak die behoefte nog verder versterkt. Maar Kagan wringt zich bij de vervulling van deze politiek-ideologische opdracht in allerlei vreemde bochten, ook doordat hij als belangrijke getuige William Appleman Williams aanroept.

Deze Amerikaanse historicus manifesteerde zich met The Tragedy of American Diplomacy (1959) als peetvader van de zogeheten ‘revisionistische school’ in de geschiedschrijving van de Koude Oorlog. De revisionisten menen dat de schuld voor het conflict met de Sovjetunie ligt bij het Amerikaanse imperialisme. Amerika is in zijn buitenlandse politiek een dynamische veroveraar van markten, die onmisbaar zijn om het kapitalistische systeem te laten functioneren. Inderdaad zijn Kagan en Appleman Williams het eens dat Amerika uniek is in de onontkoombare dynamiek van zijn expansiedrang. Maar het universalistisch idealisme, waar Kagan zo de nadruk op legt, is bij Williams niet meer dan de aankleding van het commerciële eigenbelang.

Thomas Bender, hoogleraar aan New York University heeft in The Nation among Nations meer recht van spreken, als hij dezelfde Appleman Williams aanroept. De geschiedenis van de Amerikaanse buitenlandse politiek staat volgens Bender in het teken van belangenbehartiging. Idealisme speelt geen, of uitsluitend een verhullende rol. De Amerikanen hebben zich volgens Bender veel minder dan zij zelf denken gemanifesteerd als een exceptionele natie. De buitenlandse politiek berustte op expansiedrang, die zowel economische, strategische als geopolitieke motieven had, zoals dat ook bij andere grote mogendheden het geval is. Wat Amerikanen volgens Bender vaak vergeten, is dat naties die het doelwit zijn van de Amerikaanse, in idealistische termen verpakte, ambitie alleen al deze poging tot bemoeienis als een ongewenste inmenging in interne zaken kunnen beschouwen. Als Amerikanen dit eindelijk zouden inzien, zouden veel ongelukken in de buitenlandse politiek kunnen worden vermeden, schrijft Bender in een betoog dat net als bij Kagan eerder een moralistisch-ideologische dan een verklarende strekking heeft.

Ook Bender richt zich op de 19de eeuw, maar bij hem blijft elke poging om de Amerikaanse expansiedrang idealistisch op te tuigen achterwege. De Amerikaanse expansiegeschiedenis is volgens Bender verwant aan het Europees imperialisme, dat al in de 15de eeuw op gang komt. Militaire middelen werden ingezet om commerciële doelen te bereiken. Bender citeert president Ulysses Grant, die de verovering van Texas op buurstaat Mexico goedkeurend kwalificeerde als ‘een daad van Europese allure’. De oorlog tegen Spanje, die in 1898 leidde tot de interventie op Cuba, was volgens Bender beslist geen humanitaire operatie, maar een daad van agressie. De oorlog sloot aan bij de territoriumdrift in westelijke richting, die inmiddels de westkust van het Amerikaanse continent had bereikt. De Amerikanen waren rijp voor een avontuur overzee.

In zijn drang om Amerika als een natie af te schilderen die evenzeer aan machtspolitiek deed als de Europese mogendheden, gaat Bender soms wel heel erg ver. Hij beschouwt de aanwezigheid van een Amerikaanse waarnemer op de conferentie van Berlijn (1884/85) – waar de Europese mogendheden Afrikaans grondgebied verdeelden – als bewijs dat ook de Verenigde Staten in deze periode al belangstelling hadden om te participeren in de opdeling van Afrika. Het is niet het enige moment dat Bender de geschiedenis teveel naar zijn hand wil zetten. Hij gaat daarin aanzienlijk verder dan Kagan. Bij Kagan is de voorgevel van zijn betoog opgetrokken uit ideologische schokbeton, maar verraadt het interieur gevoel voor historische finesse. Bij Bender is de inrichting van veel grovere makelij.

Waar deze twee auteurs zoeken naar de historische wortels van de Amerikaanse expansiedrang, kiest de Britse historicus Bernard Porter, verbonden aan de universiteit van Newcastle, voor een vergelijkend perspectief. In hoeverre lijkt het Amerikaanse imperialisme van vandaag op zijn Britse voorloper in de 19de eeuw? Ook voor Porter staat vast dat Amerika een imperialistische natie is. ‘We don’t do empire’, zo citeert hij oud-minister van Defensie Rumsfeld. Dat zeggen ze allemaal, aldus de laconieke Porter in dit geestige essay. Alle imperialistische mogendheden, ook de Britse in de 19de eeuw, nemen de gewoonte aan hun expansiedrang te rechtvaardigen als beschavingsmissie. Alle wereldrijken zijn ‘empires in denial’.

Hoe kun je een natie als Amerika, die er 702 militaire bases in 130 landen op nahoudt, anders dan als een imperialistische mogendheid betitelen? ‘Britain once had an empire’, schrijft Porter, ‘America now has a superempire’. Dit ‘superimperium’ is bezeten van de ambitie om over de hele wereld de zegeningen van vrije markt en democratie te verspreiden. Maar de vraag rijst vervolgens: kun je de doelstelling om andere naties de mogelijkheid te geven op democratische zelfbeschikking, wel imperialistisch noemen?

Dat is waar Rumsfeld op doelde. In de klassieke betekenis wordt imperialisme vooral geassocieerd met onderdrukking en exploitatie. Porter erkent dat de Verenigde Staten geen last hebben van de traditionele heerszucht, die zich richt op de annexatie van grondgebied. Maar de ambitie democratie te verspreiden gaat volgens hem wel samen, en is zelfs vaak ondergeschikt aan, de doelstelling de vrijhandel te bevorderen, die Amerika veel profijt brengt. Zeer opmerkelijk is dat ook de bezadigde Porter, die anders dan Kagan en Bender geen ideologische agenda heeft, zich eveneens beroept op de links-radicale Appleman Williams, met name op de door hem gemunte term ‘open-deur-imperialisme’; het met machtsvertoon afdwingen van handelsconcessies. Maar ook hier klemt de vraag: handel drijven, kun je dat definiëren als een daad van imperialisme?

Soms niet maar vaak wel, zo luidt het antwoord van Porter. Zeker als er zwakkere partners in het spel zijn, kan druk of dwang worden uitgeoefend om andere naties tegen lage prijzen de grondstoffen en producten te laten leveren die Amerika nodig heeft. Ook kan er volgens Porter sprake zijn van culturele overheersing doordat de Amerikaanse levenswijze aan andere landen wordt opgedrongen. Economisch en cultureel, zo concludeert hij, is Amerika in elk geval minstens zo imperialistisch als Groot-Brittannië in de 19de eeuw was.

De Amerikanen overtreffen de Britten volgens Porter vooral in hun megalomane zendingsdrift, in het gevoel een uitverkoren natie te zijn. Religie is de belangrijkste motor van die missiedrang, een factor die in de boeken van de Amerikanen Kagan en Bender onderbelicht blijft. Wat zal daarvan overblijven na het echec in Irak? Is het superimperium bezig het slachtoffer te worden van ‘imperial overstretch’; het ondermijnen van de eigen positie in de wereld door het aangaan van te veel langdurige verplichtingen? Zeker is dat Amerika met zijn interventionistische politiek tegenkrachten heeft opgeroepen die, gestimuleerd door het Amerikaanse falen in Irak, waarschijnlijk nog aan invloed zullen winnen. ‘There is nothing’, aldus Porter in een van zijn fraaie formuleringen, ‘like beating an empire when it’s down’.

Porter ziet scherp hoe snel de geschiedenis kan omslaan en de kansen kunnen keren. De ene dag ben je een ‘hypermacht’ die ‘schurkenstaten’ de wacht aanzegt, de volgende dag een aangeslagen natie, die een intern debat moet voeren over de vraag of zo’n schurkenstaat, Iran, te hulp moet worden geroepen om uit de Iraakse penarie te geraken. Kagan en Bender missen dit historische besef dat wisselende omstandigheden allesbepalend kunnen zijn. Porter is de beste historische gids, al blijft ook Kagan, ondanks zijn politieke agenda, interessant voor de 19de eeuw.

    • Ronald Havenaar