Geur raakt kind niet

Stank laat veel kinderen onberoerd – dat was bekend.

Nu is bewezen dat de reuk van zesjarigen echt slechter is.

Jonge kinderen ruiken echt slechter dan volwassenen. Dat werd al vermoed, maar het is nu onderbouwd door reukexperimenten met bijvoorbeeld Heinz-tomatenketchup, Auscreen-zonnebrandcrème en Cadbury-chocoladesaus.

In Developmental Psychology concluderen drie psychologen van de Australische Macquarie-universiteit in Sydney dat zesjarigen vrij slecht geuren kunnen onderscheiden, maar dat elfjarigen even goed kunnen ruiken als volwassenen. Ze stellen ook vast dat het verschil in reukvermogen waarschijnlijk wordt veroorzaakt door het verschil in ervaring met geuren – al kan er ook altijd nog een fysiologisch verschil zijn.

Kinderen zijn vrij slecht in het leren van namen van geuren, ze blijven ook onbewogen bij stank – dat was al bekend. Maar eerdere experimenten waren vrij slordig uitgevoerd met ‘volwassen’ geuren die de kinderen amper kenden. Of ze moesten geuren benoemen, waarbij de jongste kinderen natuurlijk het slechtst scoorden.

Zo bleef onduidelijk of er een verschil was in geurvermogen. Ook kan een algemeen cognitief verschil meespelen, namelijk dat kinderen überhaupt slecht zijn in het onderscheiden van verschillende categorieën. Bij volwassen is ook al eens een verband tussen geheugenkracht en het onderscheiden van geuren vastgesteld.

Om dit te testen kregen de zesjarigen en volwassenen eenzelfde soort test, niet met geuren maar visuele symbolen die kinderen waarschijnlijk niet bij naam kennen: technische elektriciteitssymbolen. Ze waren wel te beschrijven maar zeker niet te benoemen. De kinderen pikten in 4,7 van de vijf gevallen het afwijkende symbool eruit, net als de volwassenen. Geen cognitief verschil dus.

Om te kijken of benoeming van geuren echt geen rol speelde, werd de geurtest nog eens afgenomen, terwijl de proefpersonen voortdurend ‘duh, duh, duh, duh’ moesten zeggen – een bekende psychologische truc om iedere mentale articulatie van woorden uit te sluiten: geen verschil.

Toen moest nog worden vastgesteld of bekendheid van de geuren een rol speelde bij het onderscheidingsvermogen. Dus testten de psychologen de kinderen nog eens met meer ‘volwassen’ stofjes als sojasaus, kaneel, pruimensap, knoflook en tabasco. En inderdaad scoorden de zesjarige kinderen nu nog veel slechter dan volwassenen (de elfjarigen deden niet meer mee): drie van de vijf testjes goed, tegen gemiddeld vierenhalf bij de volwassenen.

Dit laatste resultaat is een bevestiging van het idee dat vooral het verschil in ervaring met geuren het verschil in waarneming bepaalt (waarbij dus kennelijk elfjarigen al een volwassen geurervaring hebben). Natuurlijk kan óók een verschil in ontwikkeling van het geurorgaan zelf meespelen, net als de omvang van de neus (‘snuifvolume’ noemen psychologen dat). Maar daar is nooit onderzoek naar gedaan.