Even de geest leegmaken in een raar kostuum

Voor wie van boven de rivieren komt, blijft carnaval moeilijk te snappen.

Drinken hoort erbij, maar je verkleden ook: in kostuum vallen rangen en standen weg.

Verkleden is van belang, omdat door de anonimiteit rangen en standen wegvallen. Foto Leo van Velzen Maastricht, ?. Carnaval Foto leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Als overtuigd randstedeling spreekt het vanzelf om een gezonde, aangeboren hekel te hebben aan carnaval. Bier drinken geen bezwaar, maar waarom in een konijnenpak meezingen met slechte muziek? Wat is er leuk aan carnaval? En waarom snappen Nederlanders van ‘boven de rivieren’ de lol er niet van?

Advies vragen we aan twee doorgewinterde liefhebbers. Vriend M. is geboren en getogen in het Brabantse Vlierden (1345 inwoners), dat tijdens het carnaval wordt omgedoopt tot ‘Dorsvlegelland’. Hij heeft het ooit geschopt tot ‘jeugdprins carnaval’: ,,Dat kostte handenvol geld”.Oeteldonk (Den Bosch) is voor hem het mekka van carnaval, maar stiekem vindt hij Maastricht ook een aanrader: ,,Voor Limburgers is carnaval een religie, daar maken ze werk van het verkleden. In Brabant is het: boerenkiel aan en zuipen maar.”

Vriend R., opgegroeid in het Limburgse Ulestraten (2940 inwoners), bevestigt dit: ,,In Maastricht worden de pakjes weken van tevoren bedacht en in elkaar gezet.” Bovendien is carnaval een familietraditie: ,,Mijn zus is jarenlang dansmarieke geweest, mijn oom Jan was prins, en ook mijn vader heeft zich veelvuldig ingezet om een excuus tot zuipen te hebben.” Ulestraten is overigens de echte naam van het dorp. In Limburg krijgen niet alle dorpsnamen een carnavals-alias, doceert R.: ,,De plaatsnamen in Limburg zijn al hilarisch genoeg van zichzelf.”

Dat omdopen is nog wel een geestig gebruik. Maar dat dommige hossen en zuipen? ,,Dat is bij een studentenvereniging in Amsterdam toch niet veel anders?”, pareert R.

We vragen het aan Ineke Strouken, directeur van het Nederlands Centrum voor Volkscultuur. Als Brabantse is ze een enthousiast carnavalganger en ze weet ook waarom: ,,Ik moet er elk jaar weer even inkomen, maar het is heerlijk om al je zorgen los te laten en je over te geven aan de sfeer.” Ze benadrukt het belang van verkleden: ,,Die anonimiteit is essentieel. Rangen en standen vallen weg, de timmerman valt de burgemeester in de armen, voor een paar dagen is iedereen gelijk.”

Dat blijkt al uit de toon van het persbericht waarin de Maastrichtse prins Carnaval zich voorstelt: ‘Stadsprins Roland de Eerste, publicaricus, bourgondicus, velocipedicus’ is in het dagelijks leven directeur van de Nederlandse Weekbladen Groep – niet de eerste de beste dus. Wordt zo’n Prins na het carnaval wel weer serieus genomen? Ja, zegt Strouken. ,,Carnaval heeft een positief effect op het gemeenschapsgevoel, het is een soort integratie. En voor jezelf is het ook lekker: even de geest leeg maken.”

Volgens Strouken komt het ‘beneden/boven de rivieren’-verschil voort uit de ontstaansgeschiedenis van carnaval. Ze vertelt hoe carnaval in de Middeleeuwen in heel Nederland hét feest van het jaar was, totdat het in de 16de eeuw werd verboden. ,,Het liep te vaak uit de hand.” Vanaf de achttiende eeuw werd carnaval op sommige plekken binnenskamers weer gevierd, maar een echte ‘comeback’ liet tot de negentiende eeuw op zich wachten. Omdat in het Duitse Rijnland wel enthousiast gefeest werd, sijpelde het plezier langzaam maar zeker Limburg weer binnen: eerst in grensplaatsen Venlo en Maastricht, later in de rest van de provincie en vervolgens Brabant.

Maar waarom stopte het daar? ,,Daar is moeilijk antwoord op te geven. Vergeet niet dat het twee eeuwen geduurd heeft voordat het carnaval in Limburg zijn huidige vorm kreeg. Een traditie vestigen lukt niet zomaar.”

Op kleine schaal wordt ook boven de rivieren carnaval gevierd. Vaak op initiatief van brabo’s met heimwee, of van middenstanders die hun bieromzet graag vermeerderd zien. In de Zuid-Hollandse plaatsen De Zilk, Noordwijkerhout en Lisse wordt er zelfs bijna net zo massaal en enthousiast gefeest als in Maastricht. Piet de Boer, van huis uit een Noord-Hollander maar sinds tien jaar inwoner van De Zilk, gaat vier dagen per jaar helemaal los. Het hele dorp doet mee: op de lagere school wordt een jeugdprins gekozen, er wordt druk getimmerd aan praalwagens en voor de ouderen is er een soort Beierse bieravond, met lange tafels en gevulde pullen, ,,afgekeken van de Duitse televisie”.

Toch ligt ook hier het initiatief van importbrabo’s ten grondslag aan het succes: de kloosterlingen uit het Zuiden die werkten in de gehandicapteninstellingen in deze streek.

Maar het kan dus wel, Hollanders die carnaval vieren. Sterker nog, in Weert zwaait dit weekend de van oorsprong Marokkaanse ‘Prins Hassan Ait Ali de Eerste’ de Carnavalsscepter. De 23-jarige student van de hotelschool formuleerde als lijfspreuk: „Integreren kan ik als de beste, na carnaval lig ik buiten westen”. Van de halve liters cola dan: de islamitische prins drinkt geen alcohol. Alaaf!