De laatste diplomatieke reis van Ben Bot

Minister Bot wordt als minister van Buitenlandse Zaken opgevolgd door zijn partijgenoot Verhagen. Hij zag het aankomen, maar hij gaf op zijn laatste reis geen krimp.

Minister Bot (links) ontmoet de Servische president Boris Tadic, afgelopen woensdag in Belgrado. Foto AP ** CORRECTS POSITIONS IN PHOTO ** In this photo released by Serbia' presidential press service Serbia's President Boris Tadic, rightt, shakes hands with Dutch Foreign Minister Bernard Bot, Wednesday, Feb. 14, 2007, in Belgrade. (AP Photo/Presidential Press Service/Nenad Djordjevic, HO) Associated Press

Het regeringsvliegtuig stijgt op richting Belgrado en Priština. Aan boord zit een van de meest reislustige ministers van Buitenlandse zaken die Nederland ooit gekend heeft: Bernard Bot (69). Er is werk aan de winkel: de Verenigde Naties hebben een plan voor de onafhankelijkheid van Kosovo gelanceerd, en Bot wil weten hoe Servië en Kosovo de onderhandelingen ingaan over „een van de lastigste problemen waarmee ik in contact ben geweest”.

Vorige week was er ook belangrijk werk: toen vloog de minister naar Oslo om de Noren ertoe te verleiden om te zijner tijd de taak van Nederland in Uruzgan over te nemen. Er is één belangrijk verschil tussen beide reizen: de hoop van Bot om dit werk nog jaren te doen, is tussen Noorwegen en de Balkan vervlogen.

Het regeerakkoord van Balkenende IV was al een slecht voorteken. De ontwerptekst over het buitenlands beleid, die Bot had aangeleverd, vertoonde wijzigingen die de hand verrieden van zijn partijgenoot, CDA-fractievoorzitter Maxime Verhagen: zeer strenge voorwaarden voor toetreding van landen tot de Europese Unie, en de invoering van een ‘partenariaat’, een soort ‘lidmaatschap light’.

Bot is een felle tegenstander van zo’n constructie. Landen moeten weten of ze wél of geen lid kunnen worden. De bedoeling van die passages, meent hij, is alleen maar om Turkije buiten de deur te houden. Bot houdt van Turkije, hij was er in de jaren tachtig ambassadeur. De opening van onderhandelingen tussen de EU en Turkije was een van Bots wapenfeiten tijdens het Nederlandse voorzitterschap van de EU.

Nu de lijst van nieuwe ministers bekend is, blijkt Maxime Verhagen de winnaar. Even had Bot nog hoop dat premier Balkenende Verhagen nodig had als minister van Economische Zaken, maar die post wilde Verhagen niet.

Balkenende vroeg Bot eind 2003 als minister vanwege zijn ervaring als Europees onderhandelaar – Nederland zou in 2004 een half jaar voorzitter zijn van de EU en Bot was tot zijn pensionering een alom geroemd ‘permanent vertegenwoordiger’ (ambassadeur) bij de EU in Brussel. Nu wordt hij vervangen door een partijgenoot met heel andere ideeën over Europa – einde van een tijdperk.

Niet langer kan Bot als minister zijn gehoor om de oren slaan met veertig jaar diplomatieke ervaring. Kamerleden die vonden dat Nederland andere regeringen eens flink de waarheid moest zeggen, kregen regelmatig uitleg: je moet aansluiting vinden bij standpunten die meerdere landen, liefst grote, hebben en pas dan kun je invloed laten gelden. Men kon dat maar het beste aan Bot overlaten. [Vervolg BOT: pagina 3]

BOT

Minister had graag willen blijven

[Vervolg van pagina 1] Op deze laatste reis van Bot, naar de Balkan, is het business as usual. Nou ja, heel even dan een reactie, omdat de meereizende pers zo aandringt. „Mijn grote ervaring en enorme netwerk hadden doorgaan gerechtvaardigd”, zegt hij, op een toon alsof het over iemand anders gaat. En Verhagen? Die beschikt over „grote vaardigheden”.

Maar dan: werk aan de winkel. Dingen die de laatste jaren eigenlijk gewoon geworden waren, vallen nu op. Het ongeveinsde enthousiasme waarmee het diplomatieke personeel de minister onderaan de vliegtuigtrap begroet bijvoorbeeld. Bot maakte in zijn vorige loopbaan zelf mee hoe sommige bewindslieden, zowel kundige als naar zijn mening minder kundige, zich op bazige toon tot diplomaten kunnen richten. Bots eigen benaderingswijze is joyeus, en ook beknopt – de vergaderingen bij Buitenlandse Zaken duren sinds zijn aantreden beduidend korter.

Ander kenmerk: in zijn verslag na afloop van de diplomatieke ontmoeting schuwt de minister de spreektaal niet. Twee dagen Balkan leveren onder andere de uitdrukkingen ‘gerotzooi’, ‘lullig’ en het devies ‘niet lullen maar poetsen’ op. Deze vrijmoedigheid heeft hij ook als hij de pers te woord staat, niet zelden tot afgrijzen van zijn ministeriële woordvoerders. Die vrezen, veelal terecht, dat deze woordkeus letterlijk in de krant terecht komt. Maar Bot is er tijdens zijn ministerschap niet toe te bewegen geweest zich anders tot de pers te richten, dan toen hij die als diplomaat informeel briefte.

In Belgrado ontrollen zich de traditionele rituelen van de diplomatie: de handdruk tussen elkaar ontmoetende bewindslieden, de verzekering dat men zo verheugd is elkaar weer te zien, de verklaring achteraf dat men een ‘open en eerlijk’ gesprek heeft gehad – dit alles voor een door tientallen lokale journalisten omstuwde microfoon op een gang.

Maar minister Bot wordt er niet vrolijk van, deze keer. In Belgrado gaat het nog enigszins. Gesprekspartners Boris Tadic (president) en Vuk Draskovic (Buitenlandse zaken) leggen, in Bots visie, tenminste nog enige bereidheid tot onderhandelen over de toekomst van Kosovo aan de dag. De volgende dag in Pristina is van onderhandelingsbereidheid weinig te bespeuren. De Kosovaarse premier Agim Ceku deelt Bot mee wat er moet gebeuren: Kosovo geheel los van Servië, veel geld van de EU voor Kosovo zonder voorwaarden, de EU-grenzen open voor Kosovaren opdat zij in het buitenland geld kunnen verdienen. De geboren onderhandelaar uit Nederland lijkt ietwat geschokt door deze „zeer summiere benadering”.

Gelukkig heeft Bot ’s middags een opbeurende ervaring. Hij bezoekt het veertiende-eeuwse, Servisch-orthodoxe klooster in Decani, waar de abt de Nederlandse bezoeker welgemoed voorhoudt dat „dit klooster vijf eeuwen Ottomaanse overheersing, twee wereldoorlogen en een aantal Balkanoorlogen heeft overleefd”. Dus hopelijk ook een onafhankelijk Kosovo, ondanks regelmatige aanslagen. „Zo’n benadering geeft hoop”, concludeert Bot. Het klooster is zijn laatste bezoek.

Terug in het vliegtuig van Pristina naar Rotterdam Airport is er weinig tijd voor melancholische bespiegelingen. Er moet een Kamerdebat, Bots laatste, worden voorbereid. Wel overdreven, vindt hij, om hem na twee dagen Balkan nog uitvoerig aan de tand te willen voelen over de veertien Nederlandse militaire instructeurs in Bagdad. Tenslotte betreft het hier alleen de verlenging van een bestaande missie.

Eenmaal in de Kamer blijkt Bot gisteravond snel zijn vorm te hervinden. Geanimeerd onderhoudt hij de parlementariërs over de strategie rond Irak en heeft en passant nog forse kritiek op de Verenigde Staten: als Washington geen spijkerharde bewijzen heeft dat Iran de opstandelingen in Irak zware bommen levert, kunnen de Amerikanen over dat onderwerp beter hun mond houden. Voor het laatst weerklinkt in de Kamer Bots onorthodoxe woordkeus: het sturen van méér Amerikaanse troepen naar Irak parafraseert hij als „we duvelen er nog wat bij”.

Ten slotte neemt de voorzitter van de Kamercommissie Buitenland het woord. „We zien u helaas niet terug”, zegt VVD’er Van Baalen. „U was al een diplomaat met grote ervaring. Als minister bent u een politicus geworden waarmee het een eer was om van gedachten te wisselen”. Bot kijkt strak voor zich uit. Onduidelijk is of hij nu eindelijk door vermoeidheid is overvallen, of dat er misschien iets anders door hem heengaat.