De echte oppervlakkigen

Ironie is geen vorm van wijsheid, maar eerder van gemaskeerde domheid. Door de meest ernstige zaken weg te lachen ben je doof en blind voor de werkelijkheid.

Los Angeles, 2005 foto Bloomberg A power outage swept thorough Los Angeles, California Monday September 12, 2005. This intersection at Fairfax and San Vicente in West Los Angeles is backed up as cars and pedestrians try to make their way across the road without the help of a traffic signal. Photographer: Jamie Rector/Bloomberg News Bloomberg News

Bij de opening van een tentoonstelling hoorde ik achter mij iemand met luide stem beweren dat ironie de hoogste vorm van wijsheid is. Ik draaide me om en schopte de man tegen zijn scheenbeen.

Ironie is maar al te vaak gemaskeerde domheid – het niet kunnen bevatten van een idee, beeld, emotie of tegenstelling en er daarom maar een quasigeestige draai aan geven. En dan de vraatzuchtige zelfvoldaanheid die doorklinkt in de lach van degene die de ironie oppikt of althans denkt op te pikken. Het ‘Randy Newman-effect’, zoals dat vroeger genoemd werd – naar de Amerikaanse zanger en songschrijver wiens liedjes tijdens optredens in Europa altijd al na een kwart seconde met instemmend applaus en gelach werden begroet. De artiest zou eens mogen denken dat wij niet snapten dat de subtekst van zijn oeuvre een weliswaar ironisch getoonzette maar in alle opzichten genadeloze kritiek op Amerika behelsde. Creatieve dubbelzinnigheid opgevat als opgeleukte rechtlijnigheid.

Bij het geven van die schop moest ik ook denken aan het moment dat de dichter Hans Verhagen in 1966 tijdens de befaamde eerste Nacht van de Poëzie in theater Carré zijn gedicht ‘Sacramento’ begon voor te lezen en een deel van de zaal al na drie regels zat te schuddebuiken. Mensen die zich op de borst kloppen vanwege hun gevoel voor ironie zijn dol op woorden als ‘schuddebuiken’ – en in het algemeen op archaïsch, lees oubollig taalgebruik, als zijnde een teken van dubbele bodem, verfijnde kritiek, humor. Hoe dan ook, in ‘Sacramento’ gaat het om een krantenbericht waarin melding wordt gemaakt van het feit dat Keith Richards, leadgitarist van de Rolling Stones, tijdens een optreden in de Californische stad uit de titel van het gedicht bijna geëlektrocuteerd werd toen zijn gitaar sluiting maakte met een niet geaarde microfoon.

Ha! Dat moest natuurlijk ironisch bedoeld zijn. Tijdens een door Adriaan Roland Holst geopende poëziemanifestatie werd met een serieus gezicht een in vlakke krantentaal gesteld gedicht voordragen over een popmuzikant die door zijn eigen elektrische gitaar onder stroom wordt gezet. Kostelijk! De gekte van de massacultuur genadeloos in zijn hemd gezet! En toen Verhagen, licht verbijsterd door deze reactie, zijn voordracht onderbrak om de zaal te vermanen dat zijn gedicht toch echt allesbehalve grappig bedoeld was, was het helemaal alsof de dichter met hoge piepstem verslag aan het doen was van een bezoek aan de dokter wegens winderigheid. Een golf van hilariteit die even later om zou slaan in woede en boegeroep toen Johnny van Doorn in een van zijn gedichten de kreet ‘Kom toch eens klaar, klootzak!’ een paar keer herhaalde. Dat soort omslag is tekenend voor de benepen moralistische onderstroom bij het gebruik, zowel actief als passief, van veel ironie.

Oké, inmiddels zijn we ruim veertig jaar discussie over de verhouding van hogere en lagere cultuur verder, en in veel gevallen de schaamte alweer beschamend ver voorbij, maar het misverstand van de ironie is nog steeds alive and kicking. Probeer maar eens de lof te zingen van de stad Los Angeles, zoals ik laatst deed.

Ik kwam er net vandaanen was weer helemaal lyrisch over het moment dat je daar, vanaf Mulholland Drive de eindeloze stad in de vlakte overziend, aan het eind van de middag het kunstlicht heel geleidelijk de fakkel van de zon kon zien overnemen. Heel even zijn ze in evenwicht, de lavastroom van achterlichten en de als regenboog boven de straten hangende strepen neon enerzijds en het langzaam als op een filmdoek dovende licht van de hemel anderzijds – en dan, met een vingerknip, is het nacht. En over film gesproken, en over auto’s: waar ik ook niet over uit kon was het feit dat Los Angeles pas echt werkelijk wordt, wanneer je autorijdt – pas door de ruit van een bewegende auto wordt de stad een samenhangend geheel, een verhaal in je kop. En dan de verscheidenheid aan buurten en mensen, de manier waarop natuur en architectuur elkaar uitdagen, soms bevestigen, dan weer ontkennen, maar tegelijkertijd voortdurend door elkaar heen.

De coyotes die er ’s ochtends vroeg op hun tenen door de bochtige straatjes van de Hollywood Hills sluipen en er dan met hun gebochelde ruggen uitzien als schuldbewuste honden die thuiskomen na een nacht doorhalen. De vreemde mengeling van opgewektheid en weemoed die er in de lucht hangt en die verklankt is in het rinkelende geluid van veel muziek die er gemaakt is, een dans tegen beter weten in, gedanst met belletjes aan de tenen. En dat er ook altijd een apocalyptisch visioen onder het oppervlak van het dagelijks leven beweegt – een op de loer liggende aardbeving misschien, of de onthutsende grijze leegte van de Pacific, de woestijn die stofdeeltje voor stofdeeltje zijn terrein terugwint, de donkere rouwsluier van de smog, de finale opstand van de armen en de homeless, de triomfantelijke terugkeer van het in duizend-en-één feel-good movies verdrongene monster. En dat allemaal tegelijk, in één beeld, één ervaring. I love LA.

Hoe kon ik het zeggen, was de reactie, en vooral: hoe kon ik het menen? Los Angeles staat immers voor alles wat voos en vies is: vervuild milieu, loze beloften, oppervlakkigheid, sociale misère, lelijkheid, geweld, narcisme, gecorrumpeerde menselijkheid. Het is niet eens een stad het is een verzameling rijke en arme getto’s, een reeks voorstedelijke aanzetten tot een stad die nergens vaste vorm aanneemt, en tussen elke twee straatlampen gaapt een diep ravijn. Alles wat er gemaakt wordt is namaak. Zelfs de zon geeft er vals licht.

En terwijl ze mij met hun als metaforen verpakte oordelen om de oren sloegen, glimlachten ze naar me, niet onvriendelijk, ironisch. Maar de ondertoon in hun stem was die van iemand die zich in een café beklaagt over de geliefde die hem zojuist heeft verlaten. En echte rancune richt zich bij voorkeur op iemands goede eigenschappen, niet op zijn of haar slechte, want dan zou er nog iets van die ander overblijven.

Kijk maar eens naar de zwembadschilderijen die David Hockney in Los Angeles heeft geschilderd, kreeg ik te horen: die had het door, die schilderde de grote leegte die er achter dat licht schuilgaat, en ontmaskert daarmee op ironische wijze de leugen van Californië als het beloofde land. En ik zei welnee, niks dubbele bodem, die zonovergoten beelden waarop het altijd twaalf uur ’s middags is bevestigen die belofte juist, en wel puur áls belofte: een verkwikkende duik in het vloeibare licht als toestand van volmaakt en vanzelfsprekend gemak – dichterbij het paradijs kun je niet komen. En zij weer, geprikkeld nu, snauwerig: maar dan zijn die schilderijen niet meer dan een hedonistische verheerlijking van de schone schijn die de harde werkelijkheid buiten de deur moet houden, een ballon om door te prikken. Op die manier is dat Los Angeles van jou dus eigenlijk helemaal geen kunstwerk waard.

Op dezelfde manier als Keith Richards volgens Carré anno 1966 geen gedicht waard was, bedacht ik de volgende dag: niet als onderwerp van een tragedie, althans, zoals een zwembad kennelijk geen onderwerp kan zijn van een gebed. Over dat soort onderwerpen moet je ironisch doen en anders gaan we boe roepen.

Op weg naar huis keek ik in de stad om mij heen of ik ergens nog een troostrijke kreet op een muur of schutting zag staan. Ik zag er teveel om op te noemen, en ze kwamen allemaal op hetzelfde neer: dat belofte alleen maar schuld maakt bij inhaligen.

De ware oppervlakkigen en narcisten zijn niet de liefhebbers van Los Angeles of Keith Richards, maar juist de haters – die nooit verder kijken dan in de spiegel van hun eigen vooroordelen. De gevangenen van het eeuwige voorbehoud van de ironie.

Vandaar die schop.