Coup hier, bodyguard daar

Steeds vaker worden door regeringen huurlingen ingezet bij gewapende conflicten zijn. Maar geklungel en ronselpraktijken geven het beroep de laatste jaren een slechte naam.

Huurlingensoldaten in de Kongo in 1974 Foto Hollandse Hoogte Mercenary soldiers in the Congo in 1974. X 2260-11 CAMERA PRESS DIGITAL/Hollandse Hoogte

Al J. Venter: War Dog. Fighting other People’s Wars. The Modern Mercenary in Combat. Casemate, 610 blz. € 38,95

Rende van de Kamp: Onder vreemde vlag. Aspekt, 242 blz., € 19,95

Adam Roberts: The Wonga coup. The British Mercenary Plot to Seize Oil Billions in Africa. Profile Books, 304 blz. €19,95

Eeuwenlang domineerden huurlingen de slagvelden van Europa. Zwitsers, Zweden, Duitsers, Engelsen en Fransen vochten zich dood voor de hoogste bieder, desnoods in campagnes tegen hun eigen landgenoten. De Fransen danken er hun Vreemdelingenlegioen aan, de Engelsen hun Gurkha’s en de Paus zijn Zwitserse Garde. Met de invoering van de militaire dienstplicht aan het eind van de 18de, begin 19de eeuw leek het lot bezegeld van het op één na oudste beroep ter wereld. Het tegendeel bleek echter het geval. In War Dog beschrijft oorlogscorrespondent Al Venter, gepokt en gemazeld in Afrika en Afghanistan, de activiteiten van de soldiers of fortune sinds de jaren zestig. Het boek vormt een welkome aanvulling op The Modern Mercenary van Peter Tickler uit 1988.

Hoewel Venter sympathie koestert voor de militairen die het vuile werk mogen opknappen op de mestvaalt van de geschiedenis, brengt hij ook de minder fraaie kant van het huurlingenberoep in beeld. Vooral de beschrijving van de chaotische strijd in Sierra Leone (inmiddels thema van de film Blood Diamond van Leonardo DiCaprio), waar het afhakken van ledematen (‘fresh chop’) voor kannibalistische rituelen tot dagelijkse praktijk was verworden, zou ieder weldenkend mens doen terugdeinzen voor een loopbaan als huurling.

Overal waar zich gewapende conflicten voordeden, doken de mercenaries op. Zo vormden na de Tweede Wereldoorlog de nog jonge nationale staten in de Derde Wereld een dankbaar werkterrein voor westerse huurlingen. Een berucht voorbeeld is de burgeroorlog in de voormalige Belgische Kongo in de jaren zestig, waar huurlingencommandanten als de Britse ‘kolonel’ ‘Mad’ Mike Hoare en de Franse Bob Denard, alias Gilbert Bourgeaud, alias Said Mustafa Mahdjoub, orde op zaken probeerden te stellen. Met name het optreden van Denard was kenmerkend voor de huurlingenpraktijk van die tijd, doordat hij halverwege de strijd in de Kongo van werkgever wisselde. Later maakte hij er evenmin een probleem van om bij één van zijn staatsgrepen op de Comoren hetzelfde staatshoofd te verdrijven dat hij eerder via een soortgelijke coup aan de macht had gebracht.

Hinderlaag

Het beroep van huurling kreeg in de loop der jaren een extra slechte naam door de ronselpraktijken van Security Advisory Services, het duistere rekruteringsbureau van de Britse ex-parachutist John Banks. Met beloftes over lucratieve werkzaamheden in Angola lokte hij tientallen avonturiers voor huurlingenactiviteiten naar de voormalige Portugese kolonie. Onder leiding van de geschifte commandant Costas Georgiou, alias ‘kolonel Callan’ liep de operatie na enkele successen uit op een ramp. Veertien weigerachtige rekruten werden op bevel van Callan geëxecuteerd en de rest van het huurlingenlegertje liep in een hinderlaag van het regeringsleger. Van de dertien huurlingen die het bloedbad overleefden werden er vier, onder wie Callan, ter dood veroordeeld en geëxecuteerd. De anderen kregen gevangenisstraffen van 16 tot 30 jaar.

Wijs geworden door dit soort ervaringen werden de private military corporations (pmc) van de jaren negentig professioneler opgezet. De bekendste was Executive Outcomes (EO), een internationaal opererende onderneming die werd opgericht door onder anderen Simon Mann (ex-SAS, Britse special forces) en Tony Buckingham (oliebaron met belangen in Afrika). De kern van de militaire eenheden werd gevormd door leden van de opgeheven Zuid-Afrikaanse elite-eenheid ‘32nd Battalion’, die vooral opereerde in Namibië en Zuid-Angola.

Tussen 1993 en 1996 had EO een duizendtal eigen militairen en nog eens 3.000 lokaal gerekruteerde medewerkers in Angola, ondersteund door pantserwagens, gevechtshelikopters en lichte artillerie. Zij maakten korte metten met de UNITA-milities – dezelfde milities die het Zuidafrikaanse 32nd Battalion in eerdere jaren nog had ondersteund tegen de MPLA-regering. In ruil hiervoor ontving EO een bedrag van $ 80 miljoen en daarnaast concessies van diamantmijnen. EO bouwde een reputatie op als succesvolle interventiemacht en had kantoren in Europa, Noord Amerika, Azië en in 26 Afrikaanse staten. Samen met zusterorganisatie Sandline International voerde EO operaties uit in Angola, Sierra Leone en Papoea Nieuw Guinea. Daarnaast waren er staten waarvoor advies- en opleidingsactiviteiten werden verricht. Politieke weerstand vanuit ondermeer de VN en van nieuwe anti-huurlingenwetgeving in Zuid-Afrika, maakte het werken in de bestaande opzet steeds moeilijker. EO werd in 1998 opgeheven, Sandline in 2004.

Hun plaats werd direct ingenomen door ondernemingen als Blackwater USA en de Northbridge Services Group. Sinds het begin van de 21ste eeuw is de markt voor dit soort ‘Security’ bedrijven (in de wandelgangen vaak mercenary companies genoemd) sterk gegroeid. Het personeel rekruteren zij vooral uit de special forces eenheden van westerse staten – en aan belangstelling ontbreekt het niet. Kon een huurling in Angola in de jaren negentig nog $ 1.000 per maand verdienen, voor operaties in Irak en Afghanistan wordt inmiddels het tienvoudige geboden. Daar zit natuurlijk wel een risico aan vast: zo gingen in 2004 gruwelijke beelden de wereld over van vier Blackwater employees die bij het Iraakse Fallujah in een hinderlaag werden gedood, waarna hun lijken aan een brug over de Eufraat werden gehangen.

Irak en Afghanistan zijn goede voorbeelden van operatiegebieden waar de privatisering hand over hand toeneemt. Naast bedrijven die juristen, administrateurs en technici leveren, zijn er de private military corporations (pmc) die volgens Venter alleen al in Irak 50.000 huurlingen hebben rondlopen. De Amerikanen huren deze firma’s graag in voor beveiligingstaken, maar ook voor militaire operaties waarvoor men de eigen troepen – uit veiligheids- of politieke overwegingen – liever niet wil inzetten.

Dat de veiligheidssituatie in Irak er met het jaar beroerder uit gaat zien, kan volgens Venter eenvoudig worden verklaard. In het begin van de bezetting van Irak werden gerenommeerde bedrijven ingehuurd voor het uitvoeren van veiligheidstaken (bodyguards, roadblocks). Maar de Amerikanen moesten bezuinigen en besteedden hun nieuwe contracten uit aan tweederangs firma’s die hun kostprijs drukken door het uitvoerende werk over te laten aan nauwelijks opgeleide Indiërs, Nepalezen, Filippino’s en Zuid-Amerikanen. De ervaring leert dat zij hun beveiligingstaak niet zo nauw nemen en bij gevaar al snel een goed heenkomen zoeken.

Hoewel Nederland geen grote huurlingentraditie kent, zijn er wel de verhalen van Nederlandse jongemannen die een dergelijke loopbaan ambieerden. In Onder vreemde vlag doet de voormalige Libanon-veteraan Rende van de Kamp verslag van zijn jaren bij de militie van de Libanese majoor Haddad, zijn diensttijd bij het Franse Vreemdelingenlegioen en zijn inzet met andere Nederlanders in de strijd in Kroatië en Bosnië. Eenmaal terug in Nederland zette hij zich aan het ronselen van huurlingen en nam hij deel aan de voorbereiding van een staatsgreep in Suriname, die uiteindelijk niet doorging. Zeker voor Nederlandse begrippen een boeiend en opmerkelijk relaas.

Naast militaire operaties werden huurlingen de laatste decennia ook regelmatig ingezet bij machtsovernames via een staatsgreep. Kongo- veteranen Mike Hoare en Bob Denard gaven in de jaren zeventig onafhankelijk van elkaar het verkeerde voorbeeld met mislukte couppogingen op de Seychellen en in Benin. In beide gevallen kwam men per vliegtuig het land binnen, iets wat men volgens bestsellerschrijver Frederick Forsyth bij voorkeur per boot moet doen. Forsyth kan het weten, want in zijn bestseller The Dogs of War (1974) beschreef hij minutieus de voorbereiding en uitvoering van een staatsgreep in een West-Afrikaans eilandstaatje. De beschuldiging dat hij gebruik had gemaakt van een bestaand plan voor een coup op Fernando Po, tegenwoordig Malabo, Equitoriaal Guinee, zijn door Forsyth altijd van de hand gewezen. Onlangs gepubliceerde documenten wijzen echter uit dat er in 1974 wel degelijk een groep huurlingen per boot onderweg was naar West-Afrika, totdat deze door de Britse en Spaanse autoriteiten werd tegengehouden.

Bestsellerschrijver

Interessant is dat in het boek over de recente Wonga-coup (wonga is Brits slang voor money) uit 2004 naast Sir Mark Thatcher (zoon van de voormalige Britse premier) ook de politicus en bestsellerschrijver Jeffrey Archer als financier wordt gesuggereerd. Het toeval wil, dat de staatsgreep moest plaatsvinden op hetzelfde (hoofd)eiland van Equatoriaal Guinee, maar dat de coupplegers onder leiding van Simon Mann (ex-EO) de klassieke fout begingen om per vliegtuig binnen te willen komen. Bovendien werd er in verschillende kroegen in Zuid Afrika te veel gepraat, zodat het vliegtuig van Mann bij een tussenlanding in Zimbabwe onmiddellijk werd omsingeld en alle 70 huurlingen (onder wie een Armeense vliegtuigbemanning) werden gearresteerd. Mann werd veroordeeld tot zeven jaar cel, zijn medestanders kregen één jaar. Beroerder was het lot van Manns compagnon Nic du Toit in Equitoriaal Guinee: hij kreeg 34 jaar gevangenisstraf en zijn medestanders 16 of meer. In Zuid-Afrika wist Sir Mark Thatcher zijn veroordeling af te kopen voor 3 miljoen Rand ($ 450.000), maar zijn naam was voorgoed bezoedeld.

Huurlingencoups blijken een risicovolle onderneming, maar dit zal de groei van de huurlingenactiviteiten niet afremmen. In 2002 telde de wereld ongeveer 90 private military corporations met activiteiten in zo’n 100 landen. Naast de Angelsaksische ondernemingen zijn er de laatste jaren ook bedrijven actief in het voormalige Oostblok, waar zij huurlingen ronselen bij de strijdkrachten van onder meer Oekraïne, Wit Rusland en de Russische Federatie. In de jaren negentig moesten de Zuid Afrikaanse en Britse commando’s van Executive Outcome het in Sierra Leone al opnemen tegen huurlingen uit Servië, Oekraïne en Libië. Ruim vijftien jaar na de val van de Muur lijkt in conflicten in de Derde Wereld de Koude Oorlog daadwerkelijk te worden uitgevochten, maar dan door goedbetaalde vrijwilligers.