Bij moeder ligt mijn vork nog

Vrouwkje Tuinman: Receptie. Nijgh & Van Ditmar, 48 blz. €14,90

Vrouwkje Tuinman debuteerde in 2004 met de dichtbundel Vitrine. Ik was er nogal van onder de indruk, wat ik destijds ook heb opgeschreven in deze krant. De bundel bevatte kleine, bescheiden fluisterende gedichtjes die op het eerste gezicht tamelijk eenvoudig waren, maar die bij nadere beschouwing erg slim in elkaar staken. Wat mij daaraan vooral beviel, was de combinatie van helderheid en suggestie. De gedichten ‘Jij ziet goed uit vandaag’ en ‘Grosso modo’ uit die debuutbundel zijn inmiddels klassiekertjes geworden, althans zeker voor mij.

Onlangs verscheen haar tweede bundel, Receptie. Het openingsgedicht, ‘Overige bestemmingen,’ doet denken aan de beste gedichten van haar debuut:

Mijn antwoordapparaat geeft ieder jaar september een felicitatie

en de tussenstand van wie er dood en wie daar nog mee bezig is.

Het communiemeisje aan de muur is iemand uit een ander land.

Bij mijn moeder thuis heb ik een eigen vork dus weet ik waar ik zit.

Ze vindt dat ik een nieuwe rok heb dat mijn wenkbrauwen veranderd zijn.

De helikopterfoto plaatst een zonneluifel in de achtertuin.

In het kuiltje van mijn pols acteer ik hoe je kussen kan.

De mensen zeggen dat ze mij niet zijn vergeten en herhalen dat.

Het is weinig meer dan een reeks nuchtere, onderkoelde observaties. In die zin is dit ook een riskant gedicht. Het nodigt uit tot snel en oppervlakkig lezen en dan is het niet veel. Dat komt doordat de kracht van het gedicht precies gelegen is in alles wat er niet wordt gezegd. Het gedicht zwijgt over de niet-bestaande relatie van moeder en dochter die vreemden voor elkaar zijn en die in hun nietszeggende gesprekken niet zeggen wat gezegd zou moeten worden. Het gedicht is slechts buitenkant en dat is precies het geraffineerde eraan. De helderheid van de afzonderlijke mededelingen is maar schijn. Het gaat om de suggestie.

Tegelijk laat dit gedicht zien waar de valkuilen liggen van deze manier van dichten. Het minimalisme van Tuinmans nadrukkelijkheid maakt deze poëzie kwetsbaar. Als ze te veel vertrouwt op haar gewone zinnetjes, dan wordt het allemaal te gewoontjes. Als ze te veel vertrouwt op de herkenbaarheid van de verstilde ellende die deze gewone zinnetjes suggereren, dan wordt het zielige-kleine-meisjes-poëzie. Ook in het openingsgedicht zie je dat al een beetje gebeuren. Kusjes oefenen in het kuiltje van je pols, dat is natuurlijk op het randje van wat je nog met droge ogen kunt lezen. De sterke slotregel die erop volgt, zorgt dat we het toch nog droog houden.

Het risico te vervallen in zieligheid is nog extra groot door de thematiek van deze bundel. Het debuut Vitrine was veelvormiger en centrifugaler. Receptie is een hechtere eenheid, wat op zichzelf natuurlijk alleen maar goed is. De bundel als geheel schetst een coherent portret van een enigszins eenzelvig meisje dat bang is voor de wereld. ‘Mijn leven is drie kamers groot. Ik beweeg me / langs de randen, patrouilleer door de gangen, / controleer de trap, bewaak het raam.’ Ze verschuilt zich: ‘Recept van middag tot nacht: binnenblijven / op de bank. De telefoon onthoofd. Kijken precies tot / aan het glas.’ Verder doet ze van die rare zielige dingen, zoals oude foto’s kopen en daaruit haar nieuwe, fictieve familie samenstellen. Als ze praat met vrienden of vriendinnen, is zij de enige die doorheeft dat het eigenlijk allemaal maar een spelletje is: ‘Op zaterdagmiddag borduur ik gesprekken. [...] Mijn schaar knipt ongenode vragen / door. Tenslotte hecht ik alle monden af.’ Eigenlijk zou ze soms het liefste niet bestaan: ‘Het bordje met mijn naam erop is al verdwenen.’

En als ik nou zou moeten formuleren waarom Receptie mij, zeker na het sterke debuut, tegenvalt, dan zou ik zeggen dat grotere coherentie kennelijk ook een nadeel kan zijn. Het wankele evenwicht tussen onderkoelde effectiviteit en al te herkenbare sentimentaliteit, dat in het openingsgedicht op een spannende manier in stand blijft, raakt in de loop van de bundel steeds meer verstoord. En op een gegeven moment wordt het gewoon te veel, als je voor de zoveelste keer een variatie leest op ‘Watten in oren duwen, het gezicht begraven / in pluche. Gedachten met klittenband buitensluiten.’ Naarmate de ik-figuur in deze bundel steeds meer in haar eigen kleine cirkeltje ronddraait, krijg je als lezer steeds meer behoefte aan iets anders dan gewone nuchtere zinnetjes. De kracht van de suggestie gaat verloren zodra je denkt: nou weet ik het wel. Wat dan overblijft, is een heel klein soort helderheid.