Beter dan mijn vader

Deze week werd bekend dat een lid van de linkse terreurbeweging RAF vrijkomt. Onderzoekers hebben nog steeds volop werk aan de aanhangers van de stadsguerrilla.

Wolfgang Kraushaar (red.): Die RAF und der linke Terrorismus.Hamburger Edition, 1415 blz.Twee banden in casette € 78,00

Sinds eind januari staat de Rote Armee Fraktion in Duitsland opnieuw in het centrum van een fel maatschappelijk debat. Dit keer draait het om de laatste vier nog gevangen zittende leden van deze linkse terroristische beweging. Deze week werd bekend dat Brigitte Mohnhaupt eind maart vrij komt; ze was betrokken bij een reeks ontvoeringen en moorden in de jaren zeventig. Ook Christian Klar lijkt op weg naar de uitgang. Hij krijgt hoogstwaarschijnlijk binnenkort gratie van de bondspresident.

De RAF werd opgericht in april 1970 als de gewapende voorhoede van de radicaal-linkse protestbeweging in de Bondsrepubliek. Centraal stond het liefdespaar Andreas Baader en Gudrun Ensslin; andere prominente leden waren de linkse advocaat Horst Mahler en vooral ook de bekende, fel-moralistische journaliste Ulrike Meinhof. In mei 1972 voerde de RAF een serie bomaanslagen uit op onder meer Amerikaanse kazernes in Duitsland. Daarbij vielen vier doden en 74 gewonden. Een maand na het mei-offensief zaten vrijwel alle leden van de RAF achter slot en grendel en leek de rol van de groep al weer uitgespeeld. In de jaren erna ontstond echter een tweede generatie terroristen. Onder aanvoering van Mohnhaupt ontketende de RAF in 1977 een ware terreurcampagne.

Dat de gevangenschap van de RAF-leden in het huidige debat centraal staat – en dan vooral de vraag of terroristen die nooit spijt hebben betuigd, op vrije voeten mogen komen – is in zeker opzicht passend. Horrorverhalen over de detentieomstandigheden van RAF-gevangenen en de mythe van links slachtofferschap, vormden jarenlang de kern van de zogeheten stadsguerrillabeweging. Het toppunt van de confrontatie met de Bondsrepubliek, de ‘Duitse Herfst’ van 1977, vloeide direct voort uit een steeds verder gaande dramatisering van de toestand van de terroristen die gevangen zaten. Deze beschuldigden de Bondsrepubliek ervan hen met uitgekiende foltertechnieken als isolatiedetentie te willen vernietigen. Na de eerste arrestaties in 1972 stimuleerden de leiders van de RAF met een aantal collectieve hongerstakingen de oprichting van solidariteitscomités in Duitse universiteitssteden. Na verloop van tijd ontsproot aan die comités een nieuwe generatie terroristen. Zij pleegden bomaanslagen en ontvoeringen voor één simpel doel: de bevrijding van hun voorgangers. Met de revolutie en de strijd tegen het imperialisme had dat nog maar weinig te maken. Critici uit radicaal-linkse hoek noemden de RAF daarom eind jaren zeventig al cynisch een ‘Befreit- die-Kader-Guerilla’.

Gedenksteen

Het is dit beeld van de RAF als een autistische, bijna apolitieke groep die vooral om zichzelf draaide, dat naar voren komt in een juist verschenen massieve gedenksteen in boekformaat, Die RAF und der linke Terrorismus. De Hamburgse historicus Wolfgang Kraushaar die de bundel samenstelde, maakt al in zijn studieuze inleiding duidelijk dat de stadsguerrilla met idealisme weinig te maken had, laat staan met de uitvoering van een politiek program. Zij was, schrijft deze toonaangevende onderzoeker van het sociaal protest in het naoorlogse Duitsland, vooral en in toenemende mate ‘een kwestie van identiteit’.

Centraal stond, paradoxaal genoeg, het existentiële verlangen om tegenover het mondiale leed (de uitbuiting van de Derde Wereld, de Vietnamoorlog) onschuldig te blijven, om een reine ziel te behouden en geen vuile handen te maken. Juist die hang naar zuiverheid mondde uit in de neiging tot geweld. In hun dadendrang stak bij jonge West-Duitsers ook de wens om af te rekenen met het beladen Duitse verleden. De generatie van hun ouders had zware schuld op zich geladen door dadenloos toe te zien bij de misdaden van de nazi’s. De RAF-leden wilden pertinent voorkomen dat ze die fout zouden herhalen.

Deze inzichten zijn niet nieuw, maar zijn de laatste jaren enorm uitgediept en genuanceerd. Het onderzoek naar de RAF is na de aanslagen van 11 september 2001 sterk in omvang toegenomen, zoals voor al het onderzoek naar terrorisme geldt. Kraushaar heeft een heroïsche poging gedaan om alle recente historische en sociaal-wetenschappelijke inzichten te bundelen. Hij bracht 62 artikelen (van 48 auteurs) bij elkaar en twee interviews, met Horst Herold, de toenmalige chef van het Bundeskriminalamt (de federale recherche), en met de linkse intellectueel Hans Magnus Enzensberger. De vernieuwendste bijdragen zijn van enkele, door Kraushaar goed gekozen jongere wetenschappers. Zo geeft de historicus Klaus Weinhauer uit Bielefeld een diepgaande analyse van de reactie van het Bundeskriminalamt en het politieapparaat op de terroristische uitdaging. Grootschalig machtsvertoon, zoals massale verkeerscontroles met rondcirkelende helikopters, moest laten zien dat de staat er voor de bange burgers was. Dat machtsvertoon blijkt ook bij de opsporing het meest effectief te zijn geweest. De nieuwe computersystemen van de recherche die destijds veel aandacht trokken, waren te langzaam om veel resultaten op te leveren.

Het stuk van Weinhauer schreeuwt om een internationale vergelijking van de politieke en maatschappelijke reacties op terrorisme, maar daarin voorziet de bundel niet. Hoogstens worden fragmenten van zo’n vergelijking aangedragen in de zeer informatieve bijdragen over terroristische groepen in andere landen, zoals de Amerikaanse Weathermen en de Italiaanse Brigate Rosse. Wat Nederland betreft, had op z’n minst Pieter Herman Bakker Schut een ruimere vermelding verdiend in de bijdragen over RAF-advocaten. Deze strafpleiter was een spin in het internationale netwerk van RAF-sympathisanten. De rol van de Nederlandse psychiater Sjef Teuns wordt wel naar gewicht behandeld in Gerd Koenens artikel over de solidariteitscampagne. Teuns introduceerde destijds het begrip ‘sensorische deprivatie’, een door de extreme isolatiedetentie veroorzaakt, gekmakend gebrek aan zintuiglijke prikkelingen. Dat een buitenlandse psychiater de folterbeschuldiging aan het adres van de Bondsrepubliek onderschreef en van een handzaam wetenschappelijk etiket voorzag, was een belangrijke overwinning voor de RAF.

Links

De acties van de RAF zijn voor de jonge West-Duitse democratie een trauma zonder weerga geweest. De confrontatie tussen de staat en het linkse terrorisme was van beslissende invloed op de ontwikkeling van de politieke cultuur in de Bondsrepubliek. Enerzijds was de RAF, stelt Kraushaar terecht, de katalysator die buitenparlementair links ertoe dwong de klassenstrijd op te geven, de West-Duitse rechtsstaat te accepteren en zich te richten op parlementaire politiek. Dat resulteerde in de oprichting van de Grünen. Anderzijds kwam een deel van de politieke elite terug van het autoritaire staatsoptreden dat mede tot de Duitse herfst had geleid. Daarbij werd een deel van de drastische maatregelen zoals het beruchte Berufsverbot teruggedraaid.

Vooral binnen deze context verdient de RAF uitgebreide studie. Kraushaars bundel draagt wel bij tot dat brede perspectief, maar legt nog altijd sterk de nadruk op de betrokken personen en groepen. Weliswaar zijn de betreffende miniaturen – vooral het vileine portret van charismatische leider Andreas Baader als dandy – uitstekend geschreven, aan het beeld van de politieke en sociale impact van de clash tussen de staat en RAF dragen ze slechts sporadisch bij.

Kraushaar en de meeste oudere auteurs zijn zelf actief geweest in het jeugdprotest van ’68. In de jaren zeventig moesten deze ‘Achtundsechziger’ hun positie bepalen tegenover de ‘kameraden’ van de RAF. Het lukte niet iedereen gepaste afstand te bewaren (Kraushaar overigens wel). Die persoonlijke betrokkenheid maakt deze 68’ers volgens sommigen ongeschikt om wetenschappelijk over de protestbeweging en de RAF te schrijven. Ze zouden te snel in de verleiding komen om oude vetes uit te vechten, dan wel uit schuldgevoel neigen tot overdreven zelfbeschuldiging. Steen des aanstoots is bijvoorbeeld Kraushaars bewering dat ook de studentenleider Rudi Dutschke, onlangs nog met een straat in Berlijn geëerd, al met het idee van gewapende strijd en stadsguerrilla rondliep. Inderdaad vertonen 68’ers als Kraushaar soms een neiging tot duiveluitdrijving. Het risico dat ze daarmee de gehele protestbeweging grofweg in diskrediet brengen, nemen ze op de koop toe.

Toch is het verwijt van persoonlijke betrokkenheid onzuiver. Ook gekleurde bijdragen aan de discussie kunnen immers interessante vragen opwerpen. Het eigenlijke probleem is de monumentaliteit van het hier besproken werk. Dat heeft de uitstraling van een voor de eeuwigheid bedoeld naslagwerk, wat al niet bevorderlijk is voor de discussie. Bovendien laat de stand van het onderzoek die pretentie het laatste woord te spreken nog helemaal niet toe. Kraushaar weet dat als geen ander. Waarom dan toch die monumentaliteit? Op die vraag is maar één antwoord mogelijk: om collega-publicisten onder het gewicht van de twee banden te verpletteren en om de ‘Deutungshoheit’, de definitiemacht, over de Beweging van ’68 en de RAF geheel naar zich toe te halen. Daarmee betuigt Kraushaar zich een ware ’68er, want die schrijven, dat is bekend, al sinds 1968 hun eigen geschiedenis.

Onlangs verscheen tevens van Anne Siemens: ‘Für die RAF war er das System, für mich der Vater’ (Piper, 288 blz. € 19,90); gesprekken met nabestaanden van de slachtoffers van de RAF.