Als hoge pluimen

Twintigste aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

„En óp die dijken zie je, denkend aan Marsman, ‘rijen ondenkbaar/ ijle populieren...’” Foto Sake Elzinga Nederland - Zuid Beveland- ( Zeeland ) - 02-02-2007 Zak van zuid Beveland. Dijkjes met populieren. Illustratie bij verhaal Koos van Zomeren. Foto: Sake Wlzinga dijken natuur landschap Elzinga, Sake

Als alle andere verschijnselen ontbreken, zijn altijd de bomen er nog – bomen die zich in hun naaktheid eindeloos vertakken, zodat je je afvraagt wat nog tot de aarde en wat al tot de lucht behoort. In deze bomen is het werkelijk winter.

Kort na de januaristorm heb ik samen met Chiel Jacobusse een tocht gemaakt over de dijken in de Zak van Zuid-Beveland. Je zou bijna zeggen: de wirwar van dijken, maar er zit wel degelijk een patroon in. Iedere dijk op zijn beurt heeft aan zee gelegen, tot hij door de volgende inpoldering werd achterhaald. Hier was dit proces in de zeventiende eeuw grotendeels voltooid. En óp die dijken zie je, denkend aan Marsman, ‘rijen ondenkbaar/ ijle populieren/ als hoge pluimen/ aan den einder staan.’

„Oorspronkelijk”, vertelde Jacobusse, „stonden er iepen.” Hij is 51 en werkt voor Het Zeeuws Landschap.

Er graasden schapen en er groeide hout, zo werden de dijken geëxploiteerd. Maar aan het eind van de oorlog waren alle iepen verdwenen. Toen, rond 1950, zijn deze dijken allemaal tegelijk met populieren beplant. Populieren leveren betrekkelijk laagwaardig hout op, maar daar staat tegenover dat ze enorm hard groeien en dat er een nijpend gebrek aan grondstoffen heerste – al was het maar voor de klompenmakerij.

„Ik wou”, zei Jacobusse op zeker moment, „dat ik je dit dertig jaar geleden kon laten zien.” Toen moet het op z’n mooist zijn geweest, allemaal populieren van dezelfde leeftijd. Inmiddels is het beeld wat versplinterd geraakt. Door verschillen in bodemomstandigheden zijn de bomen uit elkaar gegroeid. Hier en daar staat de eerste generatie nog, elders is de tweede generatie al bijna kap-rijp of zijn populieren vervangen door een andere soort (meest eiken, géén iepen, iepen krijg je niet meer groot in dit land – de iepziekte).

Maar ik vond het zo al mooi. Er ging van dit landschap een bedwelmende ritmiek uit. Bomenrijen schoven in en uit elkaar, alsof zij zich voortbewogen. En hoewel we met de auto waren, kreeg ik een gewaarwording van bergwandelen, steeds het gevoel: dáár is het, en als je daar dan kwam, dan was het toch weer verderop.

Op gezette plaatsen werd het magere en spitse van populieren onderbroken door het stoere en afgeronde van een linde. „Ik weet niet van elke linde waarom hij daar staat”, zei Jacobusse, „Maar ik weet wel dat een linde er nooit zomaar staat.”

Elke linde is een gedenkteken. Hij markeert de grens van een oud rechtsgebied of herinnert aan de dichting van een dijk na een doorbraak – dan staat hij doorgaans bij een weel (dat is wat wij in Gelderland een wiel noemen). Of hij herinnert aan de oprichting van de gereformeerde jongensvereniging van ’s Gravenpolder in 1910.

Ja, al doende waren we gevorderd tot ’s Gravenpolder. Daar, aan een asfaltweggetje, waar ooit twee ambachtsheerlijkheden bij elkaar kwamen, was een grenslinde door de storm geveld. We bekeken zijn onthechte wortelgestel en Jacobusse wees op de woekeringen van witrot en bruinrot. Maar hij wees ook op een bundel loten die nog fier overeind stonden, klaar om de vrijgekomen plaats in te nemen. In feite krijg je dan de oude boom in een nieuw jasje.

„De linde”, zei Jacobusse, „heeft een groot vermogen om zich te vernieuwen.”

„Hij kan ergens honderden jaren staan”, begreep ik.

„Zeker.”

„Maar dan heeft hij geen honderden jaarringen.”

„Maar dat kán wel”, zei Jacobusse. Want, vertelde hij, in de jaren zestig waren enkele linden gesneuveld voor de nieuwe N669 tussen ’s Gravenpolder en Goes, en toen waren wel degelijk vierhonderd jaarringen geteld. Misschien had Jacoba van Beieren die laten planten op de grens van de graafschappen Holland en Vlaanderen.

Goed, van het bijzondere van solitaire linden terug naar het anonieme van rijtjes populieren. Langzaam zigzaggend werkten we ons in zuidelijke richting uit het web, en eindelijk – de bevrijdende aanblik van de Westerschelde!

Het was een dag met een bleekblauwe lucht met schier bewegingloze wolkenpartijen en een stil verlangen naar het vallen van de avond.