VS: akkoord met Noord-Korea signaal voor Iran

De Amerikaanse regering zegt dat het akkoord met Noord-Korea bewijst dat ook met Iran een deal mogelijk is.

WASHINGTON, 15 FEBR. - Het voorlopige akkoord dat de VS deze week met Noord-Korea sloten geeft aan dat de realisten binnen de regering-Bush aan de winnende hand zijn. Zo legden deskundigen en diplomaten dat gisteren in Washington uit – zij het niet zonder aarzeling: het zou niet de eerste keer zijn dat de realisten minder sterk blijken dan in eerste instantie het geval leek.

De VS kwamen binnen het zogenoemde zes-partijenoverleg overeen dat Noord-Korea zijn nucleaire installaties zal sluiten. Maar Noord-Korea zegde niet toe dat het zijn nucleaire ambities volledig opgeeft. En het koele feit is dat dit onder Bush jaren een harde voorwaarde was: het slechte gedrag van het geïsoleerde land, dat delen van zijn nucleaire programma eerder verborgen hield, mocht niet beloond worden.

Op de rechtervleugel van Bush’ partij bundelde zich de laatste dagen een legertje opposanten. Ze hebben gemeen dat ze nauwe relaties onderhouden met vicepresident Cheney. En in het recente verleden lieten ze zien dat hun invloed ver reikt – denk aan de manier waarop de aanbevelingen van de Studiegroep Irak door het Witte Huis terzijde werden gelegd.

Het gaat om specialisten van het American Enterprise Institute, de opinieredactie van The Wall Street Journal („Goedgelovige non-proliferatie”, commentarieerde de krant), oud-VN-ambassadeur John Bolton, de neoconservatieve Weekly Standard („Cash voor Kim”, een verwijzing naar de economische steun voor Noord-Korea als onderdeel van het akkoord) en de rechtse radiopresentator Rush Limbaugh, die gisteren uitvoer tegen „de diplomaten” uit Washington. „Begrijpen ze nu nóg niet dat ze (communisten, red.) altijd liegen?”

In deze kringen bestaat al een half jaar de vrees dat Bush zich de laatste twee jaar van zijn presidentschap op sleeptouw laat nemen door de realisten uit de wereld van Bush’ vader, oud-president George H. W. Bush (1989-1993). Met vereende krachten wisten zij de op diplomatie geënte plannen van de Studiegroep Irak, uitgedacht door de realist James Baker, te ondergraven.

Maar nu het bij het AEI voorgekookte alternatief – meer troepen naar Irak – zoveel nationale en internationale weerstand oproept, is in belangrijke delen van Bush’ regering hernieuwd de behoefte gegroeid dat de VS zich presenteren als een op internationalisme en overleg gerichte wereldmacht, zo analyseerden deskundigen en diplomaten gisteren. Vooral de hevige speculaties over een militaire aanpak van Iraanse betrokkenheid bij aanslagen in Irak noopten de regering een signaal af te geven, zeggen ze. Vandaar de ommezwaai in het overleg met Noord-Korea.

Minister van Buitenlandse Zaken Rice en Bush legden het verband deze week openlijk. Bush verwees gisteren expliciet naar Iran toen hij vertelde dat het akkoord met Noord-Korea aantoont dat de VS in de eerste plaats diplomatieke oplossingen nastreven.

In dezelfde persconferentie beaamde hij eerdere beschuldigingen van anonieme Amerikaanse veiligheidsmensen dat Iraanse revolutionaire gardisten wapens leveren aan shi’itische opstandelingen in Irak. De beschuldigingen, zondag gedaan, werden de laatste dagen door deskundigen met grote scepsis begroet. Bush zei, anders dan de veiligheidsmensen, niet zeker te weten of Iraanse leiders weet hebben van de hulp van de revolutionaire garde aan Iraakse opstandelingen. „Ze zijn natuurlijk wel verantwoordelijk”, aldus Bush.

’s Middags gaf de derde man van het State Department, beroepsdiplomaat Nick Burns, tegenover een gehoor van vooral Europese diplomaten en verslaggevers, een uitvoeriger inzicht in het denken van de regering. Ook hij wees op de „verbanden en lessen” die het akkoord met Noord-Korea voor Iran kan hebben. „Iran moet hier héél goed naar kijken.”

Burns’ betoog bevestigde dat Noord-Korea op Buitenlandse Zaken niet een fractie van de aandacht krijgt die Iran heeft – ook al heeft Noord-Korea een nucleair wapen, en Iran niet. Maar vooral bleek uit zijn uiteenzetting dat de VS even genoeg hebben van spierballentaal. ‘Regime change’ in Iran – lange tijd Burns’ favoriete onderwerp – kwam nauwelijks over zijn lippen. In plaats daarvan benadrukte hij het belang van culturele uitwisseling. Gelukkig was er in januari nog een Amerikaans team van worstelaars in Iran, vertelde hij met zichtbare ironie.

Wel moet de internationale gemeenschap, vooral Europa, inzien hoe effectief economische sancties zijn. Dat is containment (indamming), legde hij uit: zoals met Noord-Korea is gebeurd, kan ook Iran naar de onderhandelingstafel worden gedwongen als de rest van de wereld bereid is het land economisch te isoleren. Hij noemde Shell niet – het Brits-Nederlandse olieconcern sloot onlangs een gasdeal met Teheran – maar zijn oordeel was duidelijk: „Ons advies aan de wereld is: het is riskant om met Iran zaken te doen.”

Burns beaamde – wekenlang een niet gehoord geluid – dat de meeste Amerikaanse militairen in Irak niet sterven door geweld dat voortkomt uit Iraanse steun. En hij herhaalde dat Rice bereid blijft met Iran te praten over Teherans nucleaire programma. „Ons aanbod van vorig jaar om te praten – Iran schort zijn nucleaire programma op, wij schorten de sancties op – is nog steeds van kracht.’’