Valentijn

Pas halverwege de dag, staande op het Centraal Station van Utrecht, drong het tot me door dat ik het jaar 2007 nu al met een onvergeeflijke nalatigheid had bedorven.

Ik liep naar het einde van die kille stationshal, toen een piepend geluid dat spoedig aanzwol tot een storm van geknars en geloei, mijn aandacht trok. Nu staat de NS erom bekend dat ze met graagte alles inhuurt dat piept en knarst, maar in plaats van zo’n goeie, ouwe intercity was het dit keer een middelmatig rockbandje. De jongens mochten gestalte geven aan het NS-idee om de Valentijnsdag voor de reiziger op te fleuren. Ze stonden op een pover podiumpje, maar achter een zee van bloemen.

Terwijl zij speelden, mochten wij als reiziger op kaarten enkele persoonlijke gegevens invullen onder de voorgedrukte tekstregel: „Ik zoek een vriend...” Die kaart kon je op borden naast de band ophangen – en dan maar hopen dat er iemand langskwam met wie het ‘matchte’, zoals de bandleider zei.

Op een van de eerste kaarten stond: „Ik ben man, 58 jaar, maar nog geen ouwe lul. Ik zoek een vrouw van 50... tot het hiernamaals.” Zijn telefoonnummer stond er ook bij. Een vrouw uit de doelgroep, gehuld in een rode parka, bekeek de kaart aandachtig, maar maakte geen notitie. No match. En terecht, want wat moet je met een ouwe lul die zich geen ouwe lul durft te noemen?

Intussen drentelde ik nerveus rond.

Valentijnsdag!

Waarom had ik daar geen moment aan gedacht? Ik was thuis vertrokken met de normale gevoelloosheid van een robot. „Nou, dag!” Geen bloemetje, geen kaartje, geen cadeautje. Maar wie kon het ook allemaal onthouden? Verjaardagen, huwelijksdagen, moederdagen en nu ook weer Valentijnsdagen? O ja, ik kende wel iemand die het allemaal kon onthouden, iemand die zelfs alles onthield wat ik vergat – en dat was veel.

Later op de dag ontmoette ik een collega die me bedroefd vertelde dat zijn dochtertje ’s morgens aan hem had gevraagd: „Wil je mijn Valentijn zijn?” Hij had haar stomverbaasd aangekeken, geen idéé waar ze het over had. Dit zijn de pijnlijkste momenten van een vaderleven en ik probeerde hem dan ook zo goed mogelijk te troosten.

Tegelijkertijd borg ik die prachtige zin zorgvuldig in mijn geheugen op. Wil je mijn Valentijn zijn? Dat was ’m. Het laatste redmiddel, de ultieme goedmaker. Misschien. Je moest hem ’s avonds na het openstoten van de voordeur met een licht ironische galm voor je uitzingen, voordat je meteen zélf de maaltijd in de magnetron zette. Of toch maar Tom Waits, die navrante regels uit zijn Blue Valentines:

She sends me blue valentines

to remind me of my cardinal sin

I can never wash the guilt

or get these bloodstains off my hands

Nee, geen Waits, dat vond ze een beetje een aansteller.

Zo kwam ik, vol aarzelingen, thuis. Mijn goede voornemens stierven al meteen op de drempel een roemloze dood. Was doodzwijgen niet een veel betere strategie? Of, nog beter, ik kon er ook de volgende dag een stukje over schrijven. To get these bloodstains off my hands.