Staatsraad niet rechter én adviseur

Toekomstige staatsraden zullen voortaan niet meer automatisch rechter en adviseur van de regering tegelijk kunnen zijn. Dat heeft minister Remkes (Binnenlandse Zaken, VVD) de Tweede Kamer toegezegd.

Hij deed dat gisteren in een Kamerdebat over de Wijziging Wet op de Raad van State. Daarmee komt het kabinet terug van een staatsrechtelijke traditie die bekend staat als de ‘eenheid van de Raad’. De koerswijziging vloeit voort uit rechtspraak van het Europese Hof van de Rechten voor de Mens. Die ziet in een gecombineerd college een risico voor een oneerlijk proces voor de burger.

Het kabinet had het probleem opgelost met de afspraak dat de twintig staatsraden geen vonnissen wijzen met eenzelfde rechtsvraag als waar ze eerder het kabinet advies over gaven. Maar dat vond de Kamer niet genoeg.

Rechtspreken en adviseren worden nu in beginsel gescheiden. Officieel zullen ‘dubbelbenoemingen’ worden ‘beperkt’. Daarmee kan pas worden begonnen als zittende staatsraden 70 worden en met pensioen gaan. Volgend jaar wordt de eerste vacature verwacht.

Op de christelijke fracties na was de Kamer van mening dat het Europese Hof terecht vreesde voor de schijn van oneerlijke bestuursrechtspraak. De toezegging van het kabinet doorbreekt een belangrijk beginsel, het dogma dat ambtenaren en politici als rechter en wetgevingsadviseur kunnen ‘schakelen’ tussen beide hoedanigheden. Voorstanders spreken van ‘kruisbestuiving’, tegenstanders noemen het ‘partijdigheid’.

Het kabinet wil in de toekomst ook niet-juristen als adviseur in de Raad benoemen met een tijdelijke aanstelling die bovendien, voor het eerst, via advertenties geworven zullen worden. Daarmee komt de praktijk van coöptatie op de helling: werving in eigen kring voor vacatures die buiten Den Haag onbekend zijn. Ook versterkt het kabinet de positie van de volksvertegenwoordiging door beide Kamers toe te staan zelf de Raad van State te raadplegen.