Morele zelfbevrediging

Twee boeken waarin ik de laatste tijd heb zitten lezen, voerden mij terug naar het jongste verleden: twintig à 25 jaar terug. Het eerste was een dagboek over het jaar 1983: Sirius: eine Art Tagebuch van Walter Kempowski. Hoe was ik daarop gekomen? Ik had een ander boek van hem gelezen, en dat had mij nieuwsgierig gemaakt naar verder werk van hem.

Dat was zijn roman Tadellöser & Wolff, eigenlijk herinneringen van een in 1929 geboren jongen aan de Hitlertijd in een kleine stad (Rostock). Ook daar ging het leven (in dit geval van een burgerlijk, eerder Duitsnationaal dan nazigezind gezin) zo goed en zo kwaad als het kon door, met alle hilariteit ervan (die wij in de bezettingstijd ook hadden). Totdat de bombardementen en de Russen kwamen. Ik vond het fascinerend.

In 1983 was Kempowski intussen een succesrijk schrijver geworden, maar niet populair in academische en intellectuele kring. Daar bestond toen grote sympathie voor de DDR (de schrijver-schilder Armando, die toen in Berlijn woonde, berichtte daar wekelijks over in deze krant). Kempowski daarentegen had geen reden bijzonder van de DDR te houden: van zijn 18de tot zijn 26ste jaar had hij in het beruchte tuchthuis Bautzen gezeten.

Dat was voor velen voldoende om hem voor een rechtse rakker te houden (wat hij niet was) en te boycotten. In zijn dagboek smaalt hij dus vaak terloops op dit goedkope, want risicoloze geflirt met een communistisch regime en op de goedgelovigheid van de Duitse vredesbeweging, die minder bezorgd was over de Russische inval in Afghanistan dan over de Amerikaanse raketten.

Het deed mij terugdenken aan de sympathie voor de DDR die er toen in Nederlandse linkse kring bestond: volgens Han Lammers, vooraanstaand PvdA’er, was zij het „betere Duitsland”; een door de partijvoorzitter geleide delegatie van de PvdA noemde, na een bezoek aan de DDR, de Muur „historisch juist”. Dat was zelfs Den Uyl, die veel door de vingers zag, te gortig.

Het was ook in die tijd dat een gemengde delegatie Moskou eens bezocht. In een gesprek waarin de Russen de NAVO hevig aanvielen, verraste een andere vooraanstaande PvdA’er zijn delegatiegenoten door zijn felle verdediging van dit bondgenootschap. Toen zij hem na afloop daarmee feliciteerden, bezwoer hij hun daar geen ruchtbaarheid aan te geven in Nederland: hij zou er last mee kunnen krijgen in eigen partij.

Dit klimaat van morele terreur bestond dus toen ook in ons land. De oorzaak ervan was een op zichzelf legitieme angst voor oorlog, maar die angst deed vaak alle gevoel voor proporties verdwijnen. De kerken waren de kluts helemaal kwijt. De voorzitter van de Raad van Kerken noemde „de kernwapenwedloop net zo erg als nazisme”. En nu spreek ik nog niet eens van de Christenen voor het Socialisme, die ronduit communistisch waren. Na tien jaar was die hype verdwenen.

Het tweede boek dat mij aan die jaren deed terugdenken, was het proefschrift van ds. R.J. Bakker: De boycot beoordeeld: een ethische studie over de internationale dwangmaatregelen tegen Zuid-Afrika (Boekencentrum, Zoetermeer), een zeer evenwichtige studie – zo evenwichtig dat het moeilijk is de conclusie in één zin samen te vatten.

Misschien komt die nog het best tot uiting in een bij het proefschrift behorende stelling: „De aantrekkingskracht van sancties op een beschaving die van sterke morele stellingnames houdt, doch oorlog haat, is verleidelijk, maar kan fataal zijn.” Het is duidelijk dat Nederland zo’n beschaving is.

Hier was dan ook de aandrang groot om Zuid-Afrika met sancties te straffen voor zijn apartheidsbeleid. De vraag of sancties enig effect zouden hebben, was voor velen minder belangrijk dan het gebaar, dat bovendien strekte tot verhoging van onze morele eigendunk. Net zoals ontwikkelingshulp: daar wordt ook vaak de vraag naar het effect niet gesteld; het gaat meer om het geven van hulp zelf, waarmee wij ons op onze morele borst kunnen slaan.

Die Nederlandse samenleving haat ook oorlog en komt daardoor soms in morele tegenstrijdigheid terecht. Zo moest de Sovjet-Unie met fluwelen handschoenen, ja met begrip benaderd worden, want anders zou er wel eens oorlog kunnen komen. Van Zuid-Afrika daarentegen was geen oorlog te duchten, dus dit kon met alle gestrengheid aangepakt worden. Voor de morele twijfelachtigheid van deze houding leken alweer linkse partijen en kerken geen enkel oog te hebben.

Zelf bezocht ik (schoon Ed van Thijn het verbood) Zuid-Afrika in 1984, dus in de nadagen van de apartheid. Hier trof mij de inconsequentie van vooral de cultureel-academische boycot, die nota bene de liberale minister van Buitenlandse Zaken Van der Klaauw, een historicus, enkele jaren tevoren afgeroepen had. Ten opzichte van de communistische landen was men juist tot de conclusie gekomen dat culturele en academische contacten bevorderd dienden te worden, omdat cultuur altijd het terrein voor politieke veranderingen heeft voorbereid. Maar ten aanzien van Zuid-Afrika gold die stelregel blijkbaar niet.

En wie waren de voornaamste slachtoffers van zo’n culturele boycot? Niet zozeer de blanken als wel de kleurlingen, de indo’s van Zuid-Afrika, wier taal het Afrikaans was. Zij werden afgesneden van alle culturele toevoer uit Nederland, zoals ik op hun universiteit kon merken. Waarom dat moest, begrepen zij niet. Allemaal ter wille van onze morele zelfbevrediging. Een kwart eeuw geleden, maar nog steeds actueel.