Kleurrijke bestuurder was zijn tijd ver vooruit

Hij stond in 1953 aan de wieg van het profvoetbal, en was een kleurrijk bestuurder. Dingeman (Dé) Stoop overleed maandag op 87-jarige leeftijd.

Het leven van Dingeman Stoop laat zich het best lezen als een schelmenroman. Waar de ras-Amsterdammer ook verscheen, overal was hij met zijn praatjes, zijn grappen en zijn vaak vooruitstrevende visies prominent aanwezig. Als zakenman en als sportbestuurder.

Dé Stoop vormde, met zijn vriend, oud-Ajaxvoorzitter Jaap van Praag, jarenlang het gezicht van het Amsterdamse voetbal. In de schaduw van het – ook bestuurlijk – machtige Ajax zorgde Stoop met zijn club FC Amsterdam, dat tot 1982 roemruchte jaren kende onder de naam ‘De Lievertjes’, voor de nodige deining. Daarbij liet hij als een Dick Scheringa avant la lettre de sportwereld meedelen in zijn zakelijke successen.

Talrijk zijn de verhalen over Stoop die de voorbereiding op de wedstrijd van trainer Pim van der Meent van FC Amsterdam zomaar kon verstoren door de kleedkamer binnen te stappen, een stapeltje honderdjes uit zijn binnenzak te toveren, die op de massagetafel te gooien en zijn spelers toe te bitsen: „Dit kunnen jullie vanmiddag verdienen.” Voor de toen nog lang niet zo financieel verwende profs waren dat bij een volksclub als FC Amsterdam gebeurtenissen die diepe indruk maakten.

Stoop beleefde in Amsterdam, maar later ook als voorzitter van het door supportersgeweld geteisterde FC Den Haag ook bestuurlijke dieptepunten. Hij zat zelfs dertien dagen in de cel toen hij werd verdacht van valsheid in geschrifte en betrokken was bij een zwartgeldaffaire.

FC Amsterdam was toen al ter ziele omdat Stoop wel goed was maar niet gek. Het Olympisch Stadion kwijnde – hoewel zijn ‘Amsterdam’ in 1975 zelfs de vierde ronde om de UEFA Cup haalde – weg. Stoop trok de stekker uit FC Amsterdam. Zelf verwoordde hij de ondergang met de uitspraak: „Als circus moet je over een aantal nummers beschikken en kun je niet alleen werken met een trapeze- en een leeuwennummer.”

Amsterdam was ter ziele, maar saai was het met spelers als Frits Flinkevleugel, Nico Jansen, Jan Fransz, Gerard van der Lem, Geert Meijer en Heini Otto nooit geweest.

Eind jaren zeventig manifesteerde Stoop zich als bestuurder bij de KNVB, met dezelfde eigenzinnigheid waarmee hij in 1953 begon als bestuurslid van de Nederlandse Beroeps Voetbalbond. Bij de KNVB maakte hij zich met de voorzitter betaald voetbal van de KNVB, Jacques Hogewoning, sterk voor de invoering van shirtreclame in het voetbal. Een fenomeen waar met name de PvdA zich fel tegen verzette. Stoop hekelde de overheid en zei dat Nederland alleen nog maar iets in de wereld voorstelde door de sport en bepaald niet door de politiek.

Met zijn pleidooi voor invoering van shirtreclame toonde Stoop zich visionair, op andere punten reageerde hij reactionair. Zo pleitte hij voor verlaging van de spelerssalarissen om het betaald voetbal gezond te houden en er zo voor te zorgen dat er niet te veel vaderlands voetbaltalent naar het buitenland zou verdwijnen. Het was echter een ontwikkeling die onomkeerbaar was aangezien de grote clubs in het buitenland veel meer te bieden hadden.

Voor Stoop had alles zijn prijs. Zijn zakelijke activiteiten waren minstens zo succesvol als zijn voetbaldaden.

Stoop, opgegroeid in de crisisjaren, moest al op zijn zestiende jaar gaan werken. Geld om te studeren was er niet. Na vijf jaar op een effectenkantoor kwam hij als jongste bediende in korte broek in dienst bij papiergroothandel Proost&Brandt. Daar schopte hij het tot bedrijfsleider, met 250 man onder zich.

Zijn ultieme zakelijke succes, was het opkopen van liftenfabriek Starlift, waar hij het volleybalteam sponsorde, en iedereen uitkocht. Starlift werd voor meer dan 100 miljoen gulden verkocht. Zijn welstand stelde Stoop in staat tot op late leeftijd (waarop hij nog een aantal tennisparken beheerde) actief te blijven in de sport.