Kabinet moet profijtbeginsel weer in ere herstellen

Het profijtbeginsel biedt een aantrekkelijke uitweg uit een lastig dilemma waarmee de overheid worstelt, menen Paul de Beer en Piet Emmer.

Ineens was het er weer: het profijtbeginsel. Na jaren geleden uit het politieke discours te zijn verdwenen, dook het onverwachts weer op in de financiële bijsluiter van het nieuwe coalitieakkoord bij de sector cultuur. Een nadere toelichting ontbreekt, maar blijkbaar worden de podiumkunsten geacht hun toegangsprijzen te verhogen.

De gedachte achter het profijtbeginsel is dat wie profijt trekt van een publieke voorziening er ook voor moet betalen. Daarmee biedt het een aantrekkelijke uitweg uit een lastig dilemma waarmee de overheid worstelt. Ondanks de gunstige economische vooruitzichten, waardoor de overheidsinkomsten de komende jaren fors toenemen, zijn pijnlijke keuzen tussen concurrerende claims op de publieke middelen namelijk onvermijdelijk. Dit komt doordat in ieder geval drie soorten publieke uitgaven veel sneller groeien dan ons nationaal inkomen en de daaraan gekoppelde belastinginkomsten: de zorg, het onderwijs en het integratiebeleid.

De uitgaven voor de gezondheidszorg stijgen veel sneller dan die voor de meeste andere voorzieningen en aan die stijging komt voorlopig geen einde. Daar zijn zeker vier oorzaken voor aan te wijzen.

Het aantal behandelbare aandoeningen groeit en er komen er steeds meer dure apparaten en medicijnen bij.

De arbeidskosten in de zorg worden net als elders steeds maar hoger, maar zonder dat er in deze sector veel arbeidsbesparende maatregelen mogelijk zijn.

De Nederlandse bevolking veroudert sterker dan ooit tevoren en een oude volkswijsheid zegt dat ouderdom met gebreken komt.

De vooruitgang in de medische wetenschap heeft bovendien nog een vierde kostenstijging veroorzaakt door de ‘goedkope dood’ ten gevolge van hart- en vaatziekten steeds verder terug te dringen. Ook mensen met zware handicaps, bejaarden en chronisch zieken blijven langer leven en vragen om disproportioneel meer zorg. Al die factoren maken van onze gezondheidszorg in financieel opzicht een bodemloze put.

Iets soortgelijks doet zich voor bij het onderwijs en nascholing. Steeds meer mensen volgen steeds langer onderwijs en ook daar lijkt het einde niet in zicht. Die studie-ijver heeft ons geen windeieren gelegd, want daardoor was Nederland in staat om zijn economie om te vormen tot een leverancier van hoogwaardige diensten en producten. De internationale concurrentie blijft ons echter genadeloos op de hielen zitten en er zit niets anders op dan nog veel meer in onderwijs en nascholing te investeren.

Tot nu toe speelt gemeenschapsgeld daarbij de hoofdrol. Het basis- en voortgezet onderwijs betalen we sinds jaar en dag uit de gemeenschappelijke portemonnee, en dat geldt ook voor het universitair en hoger beroepsonderwijs, want bij veel studies dekt het collegegeld maar een klein deel van de kosten.

Tot overmaat van ramp is net als in de gezondheidszorg efficiencyverhoging maar beperkt mogelijk. Goed onderwijs is dus duur onderwijs. Dat maakt de financiering van de kenniseconomie tot een tweede bodemloze put.

Tot slot het achterstallig onderhoud bij de integratie van buitenlanders. Daar is veel te winnen, want tot nu toe is de inburgering verre van vlekkeloos verlopen. De cijfers spreken duidelijke taal. Immigranten en hun kinderen van Antilliaanse, Turkse, Marokkaanse en in mindere mate van Surinaamse afkomst verdienen gemiddeld minder, zijn slechter opgeleid, begaan meer misdrijven en overtredingen, zijn meer ziek, worden vroeger arbeidsongeschikt en doen een groter beroep op sociale uitkeringen dan de rest van de Nederlandse bevolking.

De oorzaak van deze verschillen is niet moeilijk aan te wijzen: bij de komst van immigranten uit Suriname en de Antillen is geen enkele selectie toegepast, terwijl de Marokkaanse en Turkse gastarbeiders wel zijn geselecteerd, maar niet met het oog op een permanent verblijf in ons land. Het toelatingsbeleid is inmiddels bijgesteld, maar de schade is groot. En om die nog niet groter en duurder te laten worden, moeten we de kinderen van deze immigranten toegang bieden tot een andere maatschappelijke carrière dan die van hun ouders. Daarvoor zullen we diep in de gemeenschappelijke portemonnee moeten tasten. Een derde bodemloze put.

Om deze drie bodemloze putten te dempen is veel geld nodig, heel veel geld. De klassieke manier om dat geld te vergaren is de belastingen verhogen en de uitgaven verlagen.

Beide zijn niet makkelijk te realiseren. Toepassing van het profijtbeginsel is dan een aantrekkelijk alternatief. Hoe belangrijk hoger onderwijs ook is voor onze kenniseconomie, het meest profiteren toch degenen die hoger onderwijs volgen. Laten zij dan ook het grootste deel van de kosten dragen en niet langer de lager opgeleide belastingbetalers mee laten betalen.

Uiteraard moet dat wel op zo’n manier dat het geen barrière opwerpt voor talentrijke studenten uit lagere inkomensgroepen. Ook in de gezondheidszorg zouden we verzekerden meer mogelijkheden moeten bieden tegen meerprijs extra of extra snelle behandeling te kopen zonder de kwaliteit van de basiszorg aan te tasten.

Zowel voor het onderwijs als voor de zorg is het raadzaam om een maximumbedrag vast te stellen, dat we er per persoon uit de publieke kas aan willen uitgeven. Wil je meer, dan moet je bijbetalen of bijlenen.

Kunnen we het profijtbeginsel ook toepassen om het achterstallig onderhoud bij de integratie aan te pakken? Jawel, maar in dit geval zou het contraproductief zijn om die kosten te laten betalen door de doelgroep zelf, ook niet door te dreigen met een korting op de bijstand. Het profijtbeginsel zou hier beter in de vorm kunnen worden gegoten van een tijdelijke integratiebelasting – vergelijkbaar met de solidariteitsheffing in West-Duitsland na de Wiedervereinigung – waarvan de opbrengst geoormerkt is voor een deltaplan voor integratie.

De 200 miljoen euro per jaar die het nieuwe kabinet hiervoor wil uittrekken is bij lange na niet voldoende. Met een integratiebelasting van slechts 0,4 procent van het bruto binnenlands product zouden we die inspanning kunnen vertienvoudigen. Die geringe extra belasting betaalt zich op termijn dubbel en dwars terug. Over profijt gesproken.

Paul de Beer is Henri Polak hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam en verbonden aan het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS), en De Burcht (Centrum voor arbeidsverhoudingen); Piet Emmer is hoogleraar aan het Instituut voor Geschiedenis te Leiden en als Randstadhoogleraar verbonden aan het AIAS.