Jong kind herkent geuren nog slecht

Zesjarigen ruiken minder goed dan kinderen van elf. Dat is voor het eerst met gedegen onderzoek aangetoond. De verklaring is waarschijnlijk een gebrek aan ‘geurervaring’.

Jonge kinderen ruiken echt slechter dan volwassenen. Dat werd al vermoed, maar het is nu onderbouwd door reukexperimenten met stoffen als Heinz-tomatenketchup, een huismerk pindakaas, Auscreen-zonnebrandcrème en Cadbury-chocoladesaus.

In het januarinummer van het vooraanstaande wetenschappelijke tijdschrift Developmental Psychology concluderen drie psychologen van de Australische Macquarie-universiteit in Sydney op grond van deze experimenten dat zesjarigen inderdaad vrij slecht geuren kunnen onderscheiden, maar dat elfjarigen even goed kunnen ruiken als volwassenen. Ze stelden ook vast dat het verschil in reukvermogen waarschijnlijk veroorzaakt wordt door het verschil in ervaring met geuren – al kan er ook altijd nog een fysiologisch verschil zijn.

Kinderen zijn vrij slecht in het leren van namen voor geuren, ze blijven ook onbewogen in de nabijheid van stank en vieze geuren – dat was al wel bekend. Maar eerdere wetenschappelijk experimenten waren bij nadere beschouwing altijd vrij slordig uitgevoerd, met ‘volwassen’ geuren die de kinderen amper kenden en in experimenten waarbij de kinderen geuren moesten benoemen, waarin de jongste kinderen natuurlijk het slechtst scoren.

Zo werd niet duidelijk of er een verschil was in geurvermogen. Er kan ook een algemeen cognitief verschil meespelen: dat kinderen überhaupt slecht zijn in het onderscheiden van verschillende categorieën. Bij volwassen is tenslotte ook al eens een verband tussen geheugenkracht en het onderscheiden van geuren vastgesteld.

De Australiërs trokken langs twee scholen in de buurt, met knijpflesjes waarin tien verschillende algemeen gebruikte stofjes zaten. Bij enkele tientallen zesjarigen en elfjarigen mochten ze geurproeven afnemen. De kinderen kregen telkens drie kokers te ruiken (door er in te knijpen kwam er geur uit vrij), twee met dezelfde geur, een met een andere. De kinderen moesten zeggen welke de andere was. Er werd goed opgelet of ze wel begrepen wat de bedoeling van de proef was (twee kinderen vielen daarom af) en ook of ze niet verschrikkelijk verkouden waren. De zesjarigen scoorden niet eens slecht: gemiddeld vier van de vijf testen waren goed. Maar de elfjarigen en de volwassen proefpersonen (die op de universiteit aan dezelfde test waren onderworpen) scoorden gemiddeld bijna alles goed – statistisch een significant verschil.

Om te testen of er sprake kon zijn van algemeen cognitief verschil, werden de zesjarigen en volwassenen onderworpen aan eenzelfde soort test, niet met geuren maar visuele symbolen die de kinderen waarschijnlijk niet bij naam zullen kennen: technische elektriciteitssymbolen. Ze waren wel te beschrijven maar zeker niet te benoemen. De kinderen pikten in 4,7 van de vijf gevallen het afwijkende symbool eruit, net als de volwassenen. Geen cognitief verschil dus.

Om te kijken of benoeming van geuren echt geen rol speelde, werd de geurtest nog eens afgenomen, terwijl de proefpersonen voortdurend ‘duh, duh, duh, duh’ moesten zeggen – onder psychologen een bekende truc om iedere mentale articulatie van woorden uit te sluiten. Het maakte geen verschil.

Toen moest nog worden vastgesteld of bekendheid van de geuren een rol speelde bij het onderscheidingsvermogen. En dus trokken de psychologen nog eens de scholen langs met spuitflesjes met meer ‘volwassen’ stofjes als sojasaus, kaneel, pruimensap, knoflook en tabasco. En inderdaad scoorden de zesjarige kinderen nu nog veel slechter dan volwassenen (de elfjarigen deden niet meer mee): drie van de vijf testjes goed, tegen gemiddeld vierenhalf bij de volwassenen.

Dit laatste resultaat is een bevestiging van het idee dat vooral het verschil in ervaring met geuren het verschil in waarneming bepaalt (waarbij dus kennelijk elfjarigen al een volwassen geurervaring hebben). Natuurlijk kan óók een verschil in ontwikkeling van het geurorgaan zelf meespelen, net als de omvang van de neus (‘snuifvolume’ noemen psychologen dat). Maar daarnaar is nooit onderzoek gedaan.