Expositie vaag over Armando’s inspiratie

Armando: ‘Gestalt 14-6-06’ (Olieverf op doek, 100 x 200 cm)

Tentoonstelling: Mijn schuld is niet van hier; Bijbel, mythologie en het werk van Armando. T/m 15 april in het Armando museum, Amersfoort. Inl: 033-4614088 of www.armandomuseum.nl.

De voormalige Elleboogkerk in Amersfoort huisvest het museum gewijd aan dichter, schilder en beeldhouwer Armando. Diens indrukwekkende schilderij Leiter (1990), met een zwarte ladder tegen een lichte achtergrond, hangt op de altaarwand van de kerk, pal onder een negentiende-eeuws glas-in-loodraam met een voorstelling van de Maagd Maria die in de hemel wordt gekroond door Christus. De associatie met een trap naar de hemel is snel gelegd, al is de combinatie theologisch niet direct houdbaar. Wie de bijbel een beetje kent, denkt eerder aan Jacob, die in een droom een ladder tot aan de hemel zag, waarover engelen opklommen en neerdaalden. Nader beschouwd blijkt het verband met Jacob, naar wie Armando vaak verwijst, het oogmerk van dit gedeelte van de tentoonstelling. Door schilderijen, tekeningen, beelden en op de wand gedrukte flarden poëzie van Armando te confronteren met werk van oudere kunstenaars, wil de expositie Armando’s fascinatie met bijbelse en mythologische en historische thema’s zichtbaar maken.

In sommige werken van Armando (1929) is de relatie met traditionele thema’s veel explicieter. Een krachtig abstract werk uit de jaren vijftig, heeft als titel J’ai tué mon frère Abel. Zou hij Frans hebben gesproken, het zouden de woorden zijn van Kaïn. De oudste zoon van Adam en Eva, pleegde uit jaloezie op zijn broer Abel de eerste moord uit de bijbelse geschiedenis. Bij Armando keert vaak het thema terug van doodslag en het schuldgevoel daarover, terug te voeren op een moord op een Duitse soldaat waarvan hij tijdens de Tweede Wereldoorlog getuige was. In dat licht verwondert de titel niet, evenmin als de belangstelling voor andere episodes van schuld en boete.

Om deze relaties met Armando’s werk te doorzien, doet men er goed aan eerst kennis te nemen van het boek Mijn schuld is niet van hier (uitg. Vesuvius) waarop literatuurwetenschapper Trudie Favié vorig jaar promoveerde. Zij interpreteert bijbelse en mythologische verhalen als inspiratiebron (of ‘intertekst’) voor Armando’s poëzie. Zo helder als in het boek tekstuele relaties worden onderbouwd, zo hermetisch is de expositie in Amersfoort, waar Favié als gastconservator de exercitie heeft willen herhalen. Concrete kunstwerken als voorbeelden of op zijn minst parallellen voor werk van Armando zijn moeilijk te vinden. Hijzelf heeft – zo lezen we bij Favié – geschreven over Alexander de Grote zoals die is weergegeven in het schilderij dat Altdorfer in 1529 maakte van de strijd met koning Darius. Het omslag van een gedichtenbundel toont een schilderij van Caspar David Friedrich, en de interpretatie die Freud gaf van Michelangelo’s beeld van Mozes zou invloed hebben gehad op Armando’s verwerking van dat thema.

Het zou onmogelijk zijn geweest zulke stukken voor een expositie bijeen te brengen. Maar de werken die worden gepresenteerd, lijken wel erg willekeurig gekozen. Kent de kunstenaar ze? Heeft hij dan de voorstelling of vormgeving ervan als uitgangspunt genomen? Het blijft onduidelijk. Armando’s monumentale ladder moet als Jacobsladder worden begrepen op grond van een kleine pentekening van de Delftse meester Leonaert Bramer (1596-1674) die het visioen van Jacob uitbeeldt. De overeenkomst tussen een Ecce homo van de zeventiende-eeuwse meester Gerard van Honthorst met een werk van Armando, dat bestaat uit een kruisvorm van vijf witte vlakken met minimale potloodkrabbels (stigmata?) beperkt zich eveneens tot de titel. En andersom roepen sommige werken van Armando heel andere associaties op dan de expositie suggereert. Die rote Schale (2003) bijvoorbeeld, is een bronzen schaalvorm met van boven rode verf die er aan de randen van afdruipt. Het object staat in de sectie ‘Mozes’. Maar zolang er geen catalogus of zaaltekst het tegendeel beweert, is er geen reden om niet te denken aan de schaal waarop het afgehakte hoofd lag van Johannes de Doper.