Een nieuwe schoolstrijd is aangebroken

Het Nederlandse onderwijs is het onderwerp van een felle polemiek. Wat is er mis mee, en waarom lopen de emoties zo hoog op? Eerste deel van een serie: de polemisten.

Wie tegen onderwijsvernieuwingen is, wil terug naar de jaren vijftig. Wie vóór nieuwe onderwijsvormen is, helpt op „totalitaire wijze” het onderwijs „naar de verdommenis”. Discussie over onderwijs is van alle tijden, maar het huidige debat is ongekend fel.

Centraal in het debat staat ‘het nieuwe leren’. Dat is een onderwijsvorm waarbij leerlingen en studenten meer zelf verantwoordelijk worden gesteld voor hun lesprogramma. Leraren geven minder klassikale uitleg dan vroeger, ze treden meer op als coach die leerlingen begeleidt.

Al meer dan een jaar woedt er een hevige woordenstrijd tussen voor- en tegenstanders van het nieuwe leren. Globaal zijn er twee extreme posities in het debat te onderscheiden. Wie tegen het nieuwe leren is, is ook tegen de invloed van het management op scholen en vóór autonomie van leraren. Het onderwijsniveau is gedaald, zegt deze groep.

Voorstanders zeggen dat een klassikale leraar zijn leerlingen niet meer kan motiveren. En dat het goed is dat scholen hun eigen onderwijs kunnen inrichten. Met het onderwijsniveau is weinig mis, zeggen zij.

De oprichting van de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON), in maart 2006, heeft de discussie op scherp gezet. De vereniging zoekt en haalt vaak de publiciteit met harde kritiek op de implementatie van het nieuwe leren, op de teloorgang van de positie van de leraar en op het management op scholen. BON polariseerde in het begin bewust, vertelt voorzitter Ad Verbrugge. „Dat was de enige manier om de kwestie bespreekbaar te maken. Anders kwam de boodschap niet over. Maar de praktijk lag in bepaalde gevallen genuanceerder.”

Verbrugge, universitair hoofddocent sociale en culturele filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, is zich „uit ontevredenheid” met onderwijs gaan bezighouden. „Ik ergerde me. Ik wil mezelf over tien jaar kunnen aankijken en zeggen dat ik mijn best heb gedaan om iets te veranderen.”

De felle toon van BON is ongepast, zegt emeritus hoogleraar orthopedagogiek Luc Stevens, voorstander van het nieuwe leren. „De kritiek komt vooral van de zijlijn. Ik vind opvoeding en onderwijs veel te ernstig om zo over te polariseren.” In het onderwijsdebat is „meer evenwicht en inhoud nodig”, aldus Stevens. De kritiek op het nieuwe leren doet volgens hem „geen recht aan de werkelijkheid” en het niveau van het debat wordt „minder en minder”.

schoolstrijd Niemand kan eigen gelijk bewijzen

Luc Stevens heeft jarenlang de overheid geadviseerd over de pedagogische aanpak in het onderwijs. Hij richtte in 2003 het Nederlands Instituut Voor Onderwijs en Opvoedingszaken op, dat „de ontwikkeling van een nieuwe veelvormige onderwijspraktijk” wil bevorderen.

Ad Verbrugge hoort geregeld de kritiek dat hij zijn standpunten niet kan onderbouwen. Er is inderdaad weinig wetenschappelijk bewijs over de meest geschikte leervorm, zegt hij. „Maar precies dát rechtvaardigt het niet invoeren van het nieuwe leren.” De voorstanders van het nieuwe leren, zegt Verbrugge, moeten bewijzen waarom hún didactiek zou werken, te meer vanwege de massale invoering ervan. „De bewijslast ligt bij hen, niet bij ons.”

„Natuurlijk zijn leraren ontevreden over het nieuwe leren, want dat gaat ten koste van hun centrale positie”, zegt Stevens. „Maar het nieuwe leren is onafwendbaar. Leerlingen vervelen zich. We moeten helemaal af van het klassikale onderwijs, dat is volstrekt onvruchtbaar.” Hij werkt aan een cijfermatige onderbouwing van het succes van scholen waar het nieuwe leren al ver is doorgevoerd.

Behalve het nieuwe leren speelt ook het ‘competentiegerichte leren’ een grote rol in het debat. De twee begrippen worden vaak als synoniem gebruikt, maar betekenen niet helemaal hetzelfde. Het competentiegericht leren is een deelverzameling van het nieuwe leren, en legt behalve op het zelfstandiger leren werken de nadruk op het aanleren van vaardigheden als presenteren, communiceren, analyseren en samenwerken.

Enkele weken geleden eisten leerlingen in het mbo, waar wordt geëxperimenteerd met het competentiegericht leren, meer lesuren en een betere begeleiding. Zij boden staatssecretaris Bruins (Onderwijs, VVD) een petitie aan. Het competentiegerichte onderwijs zou in 2008 verplicht worden ingevoerd in het hele mbo, maar mede als gevolg van de kritiek overweegt Bruins nu een jaar uitstel.

Dat betekent niet dat het competentiegerichte leren een mislukking is, zegt Leo Prick, onderwijscolumnist van NRC Handelsblad. „Maar zoals zo vaak het geval is, worden onderwijsvernieuwingen van bovenaf opgelegd. Je moet het juist aan de leraar overlaten.” Als dat op een goede manier gebeurt, is het competentiegerichte onderwijs potentieel „een verademing”, omdat sommige leerlingen nu eenmaal meer praktisch dan theoretisch zijn ingesteld.

Margo Vliegenthart, voorzitter van brancheorganisatie MBO Raad en oud-staatssecretaris (VWS, PvdA), schreef eind vorig jaar in deze krant dat de wens tot onderwijsvernieuwing „uit het bedrijfsleven” komt en is „gericht op een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt”. De invoeringsproblemen zijn „inherent aan een complex veranderingsproces”. Scholen zijn niet flexibel genoeg, erkent Stevens. „De vernieuwingen passen niet binnen een organisatie waar alle leerlingen hetzelfde rooster volgen. Het nieuwe leren heeft succes op scholen waar de organisatie is aangepast.”

Prick, ex-leraar en onderwijsadviseur voor beleidsmakers: „Wat ik probeer aan te tonen, is dat de leraar de afgelopen jaren volstrekt is ondergesneeuwd. En het nieuwe leren is soms gehanteerd als instrument om op onderwijs te bezuinigen.”

Verbrugge gaat het bijltje er „niet snel bij neergooien”, zegt hij. „We hebben al veel successen geboekt: het uitstel van het competentiegerichte leren op het mbo, meer contacturen, minder invloed van het management.” Hij ziet „absoluut mogelijkheden” om zijn invloed aan te wenden bij het nieuwe kabinet. „Onze vereniging heeft leden van de SP tot de Partij voor de Vrijheid.” Van BON hoeft het nieuwe leren niet te worden afgeschaft. „Maar er moet ruimte zijn voor een andere benadering.”

Stevens is even optimistisch, maar dan over de toekomst van het nieuwe leren. Scholen zullen hun eigen koers varen en de discussie zal doven, zegt hij. „Een restauratie van het onderwijs, zoals BON wil, zal niet doorgaan. Die vereniging vindt vooral weerklank bij angstige en conservatieve mensen.”

Dossier over onderwijs op nrc.nl/binnenland