Doen alsof

De rijke rijschoolhouder uit het mandenmakersgezin was gevallen. Niet door een dolkstoot, maar door een lulligheidje. Niet door een plotseling opkomend verdriet dat ook de meest onverstoorbare doorzetter binnen een etmaal kan slopen, maar door een stom toeval.

Tegen toeval, al of niet stom, is geen kruid gewassen.

Niemand in het dorp koesterde leedvermaak. Wie de opkomst en neergang van Alves Gonçalves van nabij had meegemaakt voelde een scheut in het eigen hart. Rijbewijzen verstrekken zonder er rij-examens voor af te nemen, het was welbeschouwd filantropie. Alves Gonçalves wist wat het betekende om van eenvoudige komaf te zijn. Hij gaf de eenvoudigen van geest een kans. Hij liet ze delen in zijn succes. Zo’n eenmalige aanschaf liep minder in de papieren dan een naar willekeur oprekbaar aantal lessen. Alves Gonçalves had gewoon aangetoond dat hij een jongen van het volk was gebleven. Daar waren alle dorpelingen van overtuigd.

Ook ik betrapte me erop dat de gruwelijk in gevaar gebrachte nationale verkeersveiligheid me minder kon schelen dan de slag die een armeluiskind was toegebracht. Niet dat ik ineens communistische bevliegingen had, het hing in de lucht.

Ons tegen die daar boven.

Iemand uit een oude familie, bevriend met alle commissarissen en districtrechters, had de politie vast niet durven pakken. Of mogen pakken.

Het ergerde me vooral dat ik nog nooit zo dichtbij een rijbewijs was geweest. Dat ik niet bijtijds mijn kans had gegrepen.

Daar had ik al die jaren dicht in de buurt van Alves Gonçalves verkeerd, we hadden naar elkaar gezwaaid en ik had zelfs wel eens naast hem gezeten, echt op een handbreedte afstand, en laat ik al die tijd niet hebben geweten dat ik mijn mond maar had hoeven opendoen om de volgende dag al te beschikken over een rijbewijs.

Achter het stuur, de wijde wereld in... Zoeven door weidse dalen, de benijde trekvogels achterna...

Een handbreedte was ik maar verwijderd geweest van de sleutel waarmee ik had kunnen ontsnappen uit de gevangenis van mijn huis, de gevangenis van mijn kamer, de gevangenis van mijn schrijftafel. Voor duizend eurootjes had deze sukkel koning kunnen zijn. Nu was mijn kans definitief verkeken.

Gedoemd tot het langzaam wegzakken in de aarde. Gedoemd tot loden schoenen.

Solidariteit maakt neerslachtig.

Het lukte me daarbij zelfs wonderwel in het geheel niet te denken aan taxi’s, scooters, rijpaarden, bakfietsen en alles waar je verder nog zonder rijbewijs mee vooruitkomt.

Ik zie Alves Gonçalves weer geregeld. Al een jaar van zijn gevangenisstraf zit er nu op. Tijdens de weekenden is hij met proefverlof. Ze hebben hem een enkelbandje omgedaan, om hem beter te kunnen traceren. Met een auto uit de vloot van de Groep Alves Gonçalves wordt Alves Gonçalves naar een restaurant in de buurt gereden dat wordt gerund door de Groep Alves Gonçalves. Daar wachten vrienden hem op. Hij toont trots het enkelbandje en verder wordt er dat weekend alleen gegeten en gedronken.

Dat heeft de mandenmakerszoon met de oude garde gemeen – dat hij een meester is in het doen alsof het glorieuze verleden nog steeds voortduurt.