`De ziekte van Baumol` is een hersenspinsel

In NRC Handelsblad van 27 januari besteedt Flip de Kam aandacht aan `de ziekte van Baumol`: het idee dat de relatieve productiviteit van dienstverleners in de loop der tijd daalt ten opzichte van werknemers in de sectoren landbouw en industrie, als gevolg van het feit dat dienstverlening minder goed kan worden geautomatiseerd.

Daardoor worden, volgens De Kam, publieke diensten steeds duurder indien `ambtenaren` (publieke dienstverleners) een loonsverhoging krijgen die vergelijkbaar is met die van werknemers in de marktsector.

De Kam gaat echter voorbij aan de consequenties van het feit dat niet alleen publieke, maar ook private dienstverlening volgens de hypothese van Baumol steeds duurder wordt.

Ook is het in reële termen niet zo dat dienstverlening duurder wordt, maar dat bepaalde industriële producten dankzij technische innovatie goedkoper worden. Het probleem is dat deze goedkopere producten al snel weer verdwijnen ten faveure van nieuwe, complexere producten en diensten, die onze koopkracht en onze vrije tijd doen afnemen.Er is, ook in de marktsector, eerder sprake van een `verandering` dan van een `groei` van de productiviteit. Al die nieuwe producten en diensten brengen ons niet meer geluk dan twintig jaar geleden.

Ten slotte vergeet De Kam dat `de ziekte van Baumol` mede voortkomt uit de interdependentie tussen publieke dienstverlening en de marktsector. Het `vrijmaken` van markten met het oog op productiviteitsgroei vereist een toename van publieke controle- en compensatiemechanismen om ongewenste `neveneffecten` (armoede, criminaliteit, milieuvervuiling) te voorkomen. Deze verborgen kosten van de uitbreiding van de marktsector worden ten onrechte aan de publieke sector toegeschreven.