Brieven van 66 jaar geleden: en de primeur is voor…?

ap.jpgEen paar weken geleden kwam een groep journalisten in opleiding uit Zwolle langs. De meest gestelde vragen? „Hoeveel stukjes moet je per week inleveren?” (Staat niet vast, is afhankelijk van het nieuws.) „Kom je weleens correspondenten van andere media tegen?”

Dat is een mooie vraag. Zo nu en dan drinken we weleens wat samen, maar we verklappen elkaar niet waar we mee bezig zijn. „Sorry, maar ik kan toch niet”, zo worden afspraken soms afgezegd. „Ik ben aan het reizen in het zuiden van het land.” Vooral niet zeggen waar precies en voor welk verhaal natuurlijk.

Vanochtend was de hele club weer bij elkaar. Ik zag correspondenten van het NOS Journaal, RTL Nieuws, 1Vandaag, de Telegraaf - en de rest was er vast ook. Vanwaar de samenscholing? Een joods onderzoeksinstituut maakte een pakketje brieven openbaar. Van Otto Frank, Annes vader.

Dat de collectie bestond werd pas drie weken geleden bekendgemaakt. Het gaat om drie brieven van vader Frank en de reacties daarop van Amerikaanse organisaties en vriend Nathan Strauss jr. in New York (zie foto). Otto Frank probeerde een visum te krijgen om naar Amerika te verhuizen. Dat mislukte. Toen maar Cuba. (De onderzoekers bleven tijdens de presentatie maar “the republic of Cuba” zeggen. Alsof er iets was dat ze wilden benadrukken…)

Interessant detail was dat er ook een afgevaardigde was van de Anne Frank Stichting in Amsterdam (het museum valt onder deze club). Ze was not amused over het hoog van de toren blazen van de Amerikanen. „Als iemand beweert dat dit nieuw is, zou ik eerst heel goed bronnenonderzoek doen”, vertelde Teresien da Silva me. Het ultieme verwijt wat je een historicus kan maken, lijkt me. (Op hun site vandaag geen woord over de brieven.)

Even om een reactie vragen bij het onderzoeksinstituut en de ingeschakelde hoogleraar van New York University. Hij zegt dat de opmerkingen van de Nederlandse stichting voortkomen uit frustratie „omdat wij in New York de primeur hebben”.