Pluche goeie plek voor topsporter

Tafeltennisser Trinko Keen wil dat meer topsporters bestuurder worden.

Maar de bestuurder van NOC*NSF ziet dat de animo bij de sporter gering is.

Tafeltennisser Trinko Keen: „Ik werd als een koude sporter neergezet”. Foto Rien Zilvold arnhem tafeltennisser trinko keen foto rien zilvold Zilvold, Rien

Zijn fascinatie voor het pingpongballetje is eeuwig, maar de obsessieve aandacht is met de tijd afgenomen. Tafeltennisser Trinko Keen speelt nu op meerdere tafels tegelijk, want naast topsporter is de sportman uit Arnhem ook voorzitter van de atletencommissie en bestuurslid van sportkoepel NOC*NSF. Er zouden meer (oud-)topsporters voor het pluche moeten kiezen, vindt Keen, die zich heeft voorgenomen de klassieke tegenstelling tussen sporter en sportbestuurder te verkleinen. „Meepraten en meebeslissen zijn allang geen vieze woorden meer.”

Net voor het verlaten van zijn sfeervolle bovenwoning in een statige Arnhemse buitenwijk schetst Keen met zijn vinger op de tafel nog snel wat denkbeeldige schemaatjes. „Kijk, in dat model staat de bond bovenaan en in de ander de sporter. Dat moet wel botsen. Ik bepleit een ‘platte’ structuur waarin elk belang gerespecteerd wordt.”

Er is veel verbeeldingskracht nodig om Keens vingerbewegingen te begrijpen, maar zijn boodschap is helder: sporters en bestuurders moeten meer wederzijds begrip tonen. In zijn opvatting wordt de afstand kleiner als sporters bestuurslid van een bond worden. Maar de animo is gering. Tot teleurstelling van Keen, die uit naam van de atletencommissie aanjager is van een offensief om de geesten rijp te maken voor bestuursfuncties.

Keen weet ook wel dat Utopia niet is gerealiseerd zodra in elk bondsbestuur ten minste één (ex-)sporter zit. „Maar de realiteit is dat op dat niveau de besluiten worden genomen. Voor een goed evenwicht is kennis en gevoel voor de topsport nodig. De topsporter heeft kennis van zaken en zorgt daarmee voor een meerwaarde in het bestuur.”

Maar welke strategie moet toegepast worden om sporters te interesseren voor de abstracte wereld van beleid? Dat weet Keen ook niet precies. Daarom heeft de atletencommissie Maarten van Bottenburg, hoogleraar sportontwikkeling aan de Universiteit Utrecht, in de arm genomen. Keen. „Om eventueel een opleiding aan te bieden. Of wat anders, dat moeten we nog uitvinden.”

Keen weet uit ervaring hoe hulpeloos en onbegrepen een ambitieuze sporter zich kan voelen. Daarvan is vooral sprake bij kleine bonden, want de grote werken doorgaans professioneel. Als jonge tafeltennisser botste hij frontaal met de bond. „Ik wilde afspraken maken over vergoedingen, trainingsomstandigheden en sponsormogelijkheden, omdat ik prof was geworden. De toenmalige bestuursleden wilden daarover niet onderhandelen. Vervolgens werd ik neergezet als een koude sporter, die alleen aan zichzelf dacht. En kwamen ze met de opmerking: ‘Maar wij hebben al zo veel voor jou gedaan. Wij hebben geïnvesteerd en nu verwachten we wat terug.’ De bond hechtte aan solidariteit. Iedereen was gelijk. Maar dat gold niet voor mij. Ik gaf alles op voor mijn sport.”

Keen is nu zover dat hij ook tijd heeft voor bestuurlijke werkzaamheden. Hij kan dat doen omdat zijn techniek zich heeft ‘vastgezet’, zoals de tafeltennisser op zijn website uitlegt. Maar de afgestudeerde heao’er (commerciële economie) is ook bestuurslid uit overtuiging. „Omdat ik verbanden wil leggen tussen bestuurders en sporters; ik zou graag af willen van die eilandjes. Ik geloof vooral in samenhang. Uit die overtuiging ben ik ook toegetreden tot de atletencommissie. Dat ik later voorzitter werd en daardoor automatisch bestuurslid van NOC*NSF, kwam door het plotse vertrek van Michiel Bartman naar de Verenigde Staten.”

Schuilt in die dubbelfunctie niet het gevaar dat NOC*NSF de sporter inpalmt? Keen denkt van niet. „Ik kan in het bestuur vrijuit spreken en ik word serieus genomen. Als atletencommissie hebben we bewust voor de kwaliteitszetel gekozen. In mijn ogen is het simpel: als je invloed wilt hebben, moet je participeren.”

Er schuilt echter wel een gevaar in de bestuurlijke functie van een topsporter. Neem oud-polsstokhoogspringer Sergei Bubka, die namens de atletencommissie en lid van het uitvoerende comité van het Internationaal Olympisch Comité (IOC), instemde met het verplaatsen van de zwemfinales naar de ochtend op de komende Spelen in Peking (2008).

Nadat de Nederlandse atletencommissie, op verzoek van de boze zwemmer Pieter van den Hoogenband, een toelichting had gevraagd, antwoordde Bubka dat zij na langdurig beraad tot de slotsom waren gekomen dat sporters in staat zijn zowel ’s morgen als ’s avonds te wedijveren. Het besluit, erkende Bubka, was mede ingegeven door de wens alle partijen tevreden te stellen. Voor Keen een voorbeeld van hoe het niet moet. „De atletencommissie had er een principieel punt van moeten maken en de vraag moeten opwerpen: waar ligt de grens van commerciële belangen? Of: wanneer pas je de tijden aan en wanneer staat de sport centraal? Als het fundamenteel zou zijn besproken, was de kwestie aan het individuele belang onttrokken. Nu is het probleem alleen op zwemniveau behandeld.”

Keen ziet de zwemtijdenkwestie als een bevestiging van zijn opvatting dat een atletencommissie pro-actief moet opereren. „Als je vanaf het begin bij een proces betrokken bent, kun je strategische keuzes maken. Anders ben je meestal te laat. Meepraten betekent meer verantwoordelijkheid, maar ook meer invloed.”

Alles over Trinko Keen op www.trinkokeen.nl

    • Henk Stouwdam