Meningen antidopingcode verdeeld

Een dopingconferentie in Amsterdam leidde niet tot grote eensgezindheid over herziening van de wereldantidopingcode. En een grote meerderheid wil cannabis handhaven op de dopinglijst.

De meningen over doping zijn net als de lijst met verboden middelen talrijk en omstreden op onderdelen. Zo verrassend was het dus niet dat de dopingconferentie van de Dopingautoriteit Nederland in samenwerking met de Raad van Europa de afgelopen twee dagen in Amsterdam weinig eensgezindheid bracht in voorstellen de wereldantidopingcode te wijzigen.

Desondanks blikte directeur Herman Ram van de Dopingautoriteit redelijk tevreden terug. „Vooral doordat mijn verwachtingen niet te hoog gespannen waren. En ik merkte dat er op onderdelen beweging in standpunten zit. Bovendien zijn na vandaag de discussies niet gestopt”, zei Ram. Want hoezeer de meningen ook verschillen, het staat vrijwel vast dat in november van dit jaar, op de conferentie van het wereld-antidopingbureau WADA, een verbeterde dopingcode zal worden aangenomen – om vanaf 1 januari 2008 toegepast te worden.

Op een aantal cruciale onderdelen bleven vertegenwoordigers van overheden, sportorganisaties en antidopingautoriteiten het oneens. De discussie of cannabis op de dopinglijst moet worden gehandhaafd leidde niet tot nieuwe inzichten; de standpunten bleven onwrikbaar, met de landen die niets van liberalisering willen weten in de meerderheid. En het onderwerp ligt politiek te gevoelig om er op korte termijn overeenstemming over te verwachten.

Over het principe de standaardschorsing van twee jaar te vervangen door een systeem van flexibele straffen bestond onder de tachtig deelnemers geen verschil van mening. Maar wel over de uitwerking in detail. Het is een onderwerp met juridisch gevoelige kanten, zoals de regel dat een sporter pas strafvermindering kan krijgen als hij kan aantonen geen schuld aan doping te hebben en evenmin nalatig is geweest. Maar ook op dat punt zag Ram lichtpunten. „Ik denk dat de tuchtcolleges blij zijn; zij krijgen eindelijk de ruimte om een straf te bepalen. Ik ben benieuwd hoe dat in de praktijk uitpakt.”

De afbakening van verantwoordelijkheden bij doping leidde in Amsterdam ook niet tot consensus. Op de vraag welke bevoegdheden bij WADA, nationale antidopingorganisaties, de overheid of de sportbonden liggen, werd geen eensluidend antwoord gevonden. Het spreekt voor zich dat eigenbelang die discussie deed vertroebelen. Ook al omdat de situatie in landen waar doping naast het tuchtrecht ook onder het strafrecht valt gecompliceerd ligt.

Eensgezindheid was er ook wel over verbetering van het systeem van het opgeven van de verblijfplaats voor controles buiten wedstrijdverband, de zogeheten whereabouts. Maar het is wachten op ingebruikname van een speciaal door WADA ontwikkelde database, waarmee de sporter zijn agenda kan doorgeven. Dat nieuwe elektronische systeem kan ook worden gebruik voor registratie van de medische attesten. De vraag is alleen nog welke instantie daarvoor vrijgave moet verlenen en in hoeverre een medische verantwoording noodzakelijk is.

In algemene zin werd afgesproken dat de landen meer nadruk op preventie gaan leggen, dat ook coaches die over de schreef gaan aangepakt moeten worden en minderjarige sporters – denk aan turnsters – beter beschermd moeten worden, bijvoorbeeld tegen machtsmisbruik van trainers.

De aanwezige regeringsvertegenwoordigers kregen het dringende advies de UNESCO-conventie over doping te ondertekenen. Daarin wordt de positie van de overheden ten aanzien van antidopingbeleid geregeld, omdat die niet gerechtigd zijn de privaatrechterlijke dopingcode te ondertekenen. Om nog enigszins druk te kunnen uitoefenen, wordt vrijwel zeker in de code een artikel opgenomen, dat alleen landen die de UNESCO-conventie hebben ondertekend in aanmerking kunnen komen voor een groot sportevenement als een wereldkampioenschap of de Olympische Spelen.