Leiders kozen voor de knoppen

De voormannen van de drie coalitiepartijen zitten allen in het kabinet. Dat is opmerkelijk. „Traditioneel verbleekt het profiel van de politiek leider van de tweede regeringspartij.”

Hoewel het partijbestuur een dringend beroep op hem deed om fractievoorzitter in de Tweede Kamer te blijven, koos André Rouvoet voor het kabinet. „Bij de ChristenUnie geldt dat het politieke gezicht wordt bepaald door de fractieleider in de Tweede Kamer. Dus de politiek leider zit niet in het kabinet”, zei partijvoorzitter Peter Blokhuis een paar weken geleden.

Maar Rouvoet staat niet alleen in zijn keuze. Als het kabinet-Balkenende IV volgende week aantreedt, zitten daar de politiek leiders van alle coalitiepartijen in: Balkenende, Bos en Rouvoet. Bos had aanvankelijk gezegd niet onder Balkenende te willen dienen, maar kwam daar van terug. Hij was aan het denken gezet door partijvoorzitter Michiel van Hulten, die in tegenstelling tot Blokhuis juist vindt dat de politiek leider van zijn partij gewoon in het kabinet hoort. Immers, een partijleider kan in die rol volgens Van Hulten veel beter „aan de knoppen” zitten.

Toch is het historisch gezien opmerkelijk dat alle politiek leiders in het kabinet gaan zitten, zegt hoogleraar politicologie Jos de Beus, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. „De Katholieke Volkspartij, een van de voorgangers van het CDA, koos er altijd voor de politiek leider buiten het kabinet te houden. Carl Romme was jarenlang de onbetwiste leider van de partij, maar hij bleef al die tijd in de Kamer zitten.”

Pas onder Ruud Lubbers en Dries van Agt is volgens De Beus onder christen-democraten het idee ontstaan van een minister-president die ook partijleider is. Bij sociaal-democraten „leeft traditioneel het idee dat de partijleider zo diep mogelijk in de staat moet doordringen, om die op te tuigen tot een instituut dat gelijkheid bevordert.”

Het is volgens De Beus geen wonder dat sociaal-democratische leiders bijna nooit de verleiding kunnen weerstaan in het kabinet te gaan zitten, hoe ongelukkig dat soms ook uitpakt. Zoals Den Uyl, die in 1981 vicepremier werd onder CDA-leider Van Agt. „Hij kreeg een grote portefeuille en werd een soort schaduwpremier. Hij kon niet dienen onder Van Agt en kreeg onenigheid met zijn partijgenoten in het kabinet.” Het kabinet viel na een jaar.

Het kan ook lopen als met Wim Kok, minister van Financiën onder Lubbers tussen 1989 en 1994. „Kok begon moeizaam, maar stelde zich loyaal op en toonde aan te kunnen bezuinigen. Kok werd later toch premier.”

De VVD maakte er tijdens de afgelopen drie kabinetten-Balkenende een gewoonte van de politiek leider juist buiten het kabinet te houden. Gerrit Zalm was enige tijd minister van Financiën en politiek leider van de VVD, maar hij werd in die rol aangevallen door fractievoorzitter Jozias van Aartsen. De laatste won, hij mocht zich vanaf 2004 ‘aanvoerder’ van de VVD noemen. De liberalen hebben een traditie in de scheiding tussen kabinet en politiek leider. Onder de twee paarse kabinetten, tussen 1994 en 2002, bleven de leiders van de VVD fractievoorzitter.

De VVD begon met die gewoonte in 1982. Ed Nijpels won in dat jaar als lijsttrekker van de VVD tien zetels. Hij onderhandelde met het CDA, maar nam geen zitting in het eerste kabinet-Lubbers. „Traditioneel verbleekt het profiel van de politiek leider van de tweede regeringspartij”, zegt Nijpels. „De leider van de grootste regeringspartij kan de ideologische lijnen uitzetten, als nummer twee sta je wat in de schaduw.”

Nijpels was een groot voorstander van nauwe samenwerking tussen Kamerfractie en ministers. Toch, zegt hij, ontstonden er „spanningen” tussen beide groepen. „De Tweede Kamerfractie bestond uit jonge honden, we wilden ons profileren. In het kabinet zaten politici die al jaren meegingen.” Nijpels begrijpt wel dat Bos toch minister van Financiën is geworden. „Bos heeft een grote nederlaag geleden en moet in alle rust zijn imago oppoetsen. Ministers van Financiën worden vaak populair.”

De Groningse hoogleraar staatsrecht Douwe-Jan Elzinga waarschuwt er wel voor dat „de kiezer politici met een duidelijk politiek profiel wil zien”. En dat is nu eenmaal eenvoudiger voor een fractievoorzitter. „Het is een misverstand dat kiezers beleid belonen. De kiezer is in werkelijkheid snel verveeld en kiest voor mensen die zich profileren.”

En wat blijft er over van de controlerende rol van de Tweede Kamer als de partijleiders zich op voorhand achter het kabinetsbeleid scharen? Kunnen de beoogde fractievoorzitters Pieter van Geel (CDA), Jacques Tichelaar (PvdA) en Arie Slob (CU) zich nog wel dualistisch gedragen? De laatste kent geen twijfels, getuige zijn weblog van vorige week: „Reken er maar op dat ik (mocht de fractie me straks verkiezen) vanuit mijn nieuwe functie deze nieuwe ploeg opbouwend maar wel kritisch zal volgen. [...] Dualisme zit namelijk in mijn (politieke) genen.”

Elzinga, gespecialiseerd in dualisme: „Je zag de afgelopen jaren bij het fractievoorzitterschap van Maxime Verhagen dat de CDA-fractie achter het kabinet aanliep. Maar het kan ook de andere kant opgaan. Als de politiek leider onzichtbaar wordt, kan de fractievoorzitter zich ontpoppen tot informeel leider. Op lokaal niveau zie ik de laatste tijd een kentering in die richting. Dat leidt tot snellere wisselingen in het politiek leiderschap.”