Je bent vóór of je bent tegen

Voor- en tegenstanders discussiëren al zeker een jaar over het nieuwe leren.

Werkt het nu wel of werkt het nu niet?

Wie tegen onderwijsvernieuwingen is, wil achterhaalde verhoudingen in stand houden. Wie vóór nieuwe onderwijsvormen is, helpt op totalitaire wijze het onderwijs naar de verdommenis. Discussie over onderwijs is van alle tijden, maar het huidige debat is ongekend fel. Centraal thema in het debat: het nieuwe leren.

Al zeker een jaar woedt er een hevige woordenstrijd tussen voor- en tegenstanders van het nieuwe leren. Globaal zijn twee extreme posities in het debat te onderscheiden. Wie tegen het nieuwe leren is, is ook tegen de invloed van het management op scholen en vóór autonomie voor leraren. Het onderwijsniveau is gedaald, zegt deze groep.

Omgekeerd zeggen voorstanders van het nieuwe leren dat de centrale rol van de leraar verleden tijd is en dat het goed is dat scholen hun eigen onderwijs kunnen inrichten. Met het onderwijsniveau is weinig mis, zeggen zij.

De oprichting van Beter Onderwijs Nederland (BON), in maart vorig jaar, heeft de discussie op scherp gezet. De vereniging zoekt en haalt vaak de publiciteit, met harde kritiek op de implementatie van het nieuwe leren, op de teloorgang van de positie van de leraar en op het management op scholen. BON polariseerde bewust, vertelt voorzitter Ad Verbrugge. „Dat was de enige manier om de kwestie bespreekbaar te maken. Je moest het probleem benoemen, anders kwam de boodschap niet over. Al lag de praktijk in bepaalde gevallen genuanceerder.”

Verbrugge, universitair hoofddocent sociale en culturele filosofie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, is zich „uit ontevredenheid” met onderwijs gaan bezighouden. „Ik ergerde me aan de manier waarop het er in het onderwijs aan toe gaat. Ik wil mezelf over tien jaar kunnen aankijken en zeggen dat ik mijn best heb gedaan om iets te veranderen.”

De felle toon van BON is ongepast, zegt emeritus hoogleraar orthopedagogiek Luc Stevens, voorstander van het nieuwe leren. „De kritiek komt vooral van de zijlijn. Ik vind opvoeding en onderwijs veel te ernstig om zo over te polariseren.” In het onderwijsdebat is „meer evenwicht en inhoud nodig”, aldus Stevens. De kritiek op het nieuwe leren doet volgens hem „geen recht aan de werkelijkheid” en het niveau van het debat wordt „minder en minder”.

Stevens heeft jarenlang de overheid geadviseerd over de pedagogische aanpak in het onderwijs. Hij richtte in 2003 het Nederlands Instituut Voor Onderwijs en Opvoedingszaken (NIVOZ) op. Dat instituut wil „de ontwikkeling van een nieuwe veelvormige onderwijspraktijk” bevorderen.

Ad Verbrugge hoort geregeld de kritiek dat hij zijn standpunten niet met feiten kan onderbouwen. Er is inderdaad weinig wetenschappelijk bewijs over de meest geschikte leervorm, zegt hij. „Maar precies dát rechtvaardigt het niet invoeren van het nieuwe leren.” De voorstanders van het nieuwe leren, zegt Verbrugge, moeten bewijzen waarom hún didactiek zou werken. „Te meer daar deze nu massaal wordt ingevoerd. De bewijslast ligt bij hen, niet bij ons.”

Leraren, zegt Stevens op zijn beurt, hebben de aansluiting gemist met wat er in de samenleving gebeurt. „Natuurlijk zijn ze ontevreden over het nieuwe leren, want die ontwikkeling gaat ten koste van hun centrale positie.” Maar het nieuwe leren is onafwendbaar, zegt Stevens. „Leerlingen vinden dat leraren te veel praten. Ze vervelen zich. We moeten helemaal af van het klassikale onderwijs, dat is volstrekt onvruchtbaar.” Momenteel werkt Stevens aan een onderzoek waarmee hij een cijfermatige onderbouwing denkt te kunnen geven van het succes van scholen waar het nieuwe leren al ver is doorgevoerd.

Behalve het nieuwe leren speelt ook het competentiegerichte leren een grote rol in het debat. Enkele weken geleden eisten leerlingen in het mbo meer lesuren en een betere begeleiding. Zij boden staatssecretaris Bruno Bruins (Onderwijs, VVD) een petitie aan. Het competentiegerichte onderwijs zou in 2008 verplicht worden op alle mbo-opleidingen, maar mede als gevolg van de kritiek overweegt Bruins een jaar uitstel.

Dat betekent niet dat het competentiegerichte leren een mislukking is, zegt Leo Prick, onderwijscolumnist van NRC Handelsblad. „Maar zoals zo vaak het geval is, worden onderwijsvernieuwingen in dit geval van bovenaf opgelegd. Je moet het juist aan de leraar overlaten.” Als dat op een goede manier gebeurt, zegt Prick, is het competentiegerichte onderwijs potentieel „een verademing”, omdat sommige leerlingen nu eenmaal meer praktisch dan theoretisch zijn ingesteld.

Margo Vliegenthart, voorzitter van brancheorganisatie MBO Raad en oud-staatssecretaris (VWS, PvdA), schreef eind vorig jaar in NRC Handelsblad dat de wens tot onderwijsvernieuwing „uit het bedrijfsleven” komt en is „gericht op een betere aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt”. Ze erkende dat er invoeringsproblemen zijn met het competentiegerichte leren. Maar dat, schreef ze, „is inherent aan een complex veranderingsproces”.

Ook Luc Stevens erkent dat het invoeren van nieuwe leervormen op problemen stuit. Scholen zijn niet flexibel genoeg, zegt hij. „Deze vernieuwingen passen niet binnen een organisatie uit de negentiende eeuw, waar alle leerlingen hetzelfde rooster volgen. Het nieuwe leren heeft succes op scholen waar de organisatie is aangepast.”

Prick, ex-leraar en onderwijsadviseur voor beleidsmakers, zou „vandaag nog ophouden” met zijn columns als hij niet iets zou kunnen veranderen in het onderwijs. Hij wordt vaak in één adem genoemd met de critici van onderwijsvernieuwingen, maar hij wil zichzelf niet in een hokje plaatsen, zegt hij. „Wat ik probeer aan te tonen, is dat de leraar de afgelopen jaren volstrekt is ondergesneeuwd. En het nieuwe leren is soms gehanteerd als instrument om op onderwijs te bezuinigen.”

Verbrugge gaat het bijltje er „niet snel bij neergooien”, zegt hij. „We hebben al veel successen geboekt: het uitstel van het competentiegerichte leren op het mbo, meer contacturen, minder invloed van het management, een parlementair onderzoek naar het onderwijsbeleid.” Hij ziet „absoluut mogelijkheden” om zijn invloed aan te wenden bij het nieuwe kabinet. „Onze vereniging heeft leden van de SP tot de Partij voor de Vrijheid.” Als einddoel heeft BON niet de afschaffing van het nieuwe leren, zegt Verbrugge. „Maar er moet ruimte zijn voor een andere benadering.”

Stevens is even optimistisch, maar dan over de toekomst van het nieuwe leren. Scholen, zegt hij, zullen hun eigen koers varen en de discussie zal doven. „Een restauratie van het onderwijs, zoals BON wil, zal niet doorgaan. Die vereniging vindt vooral weerklank bij angstige en conservatieve mensen.”

Dossier over onderwijsvernieuwingen op nrc.nl/binnenland