‘Ik wist wat ik niet wilde: de Wagnertraditie’

Na zeven symfonieën en veel andere stukken, schreef Peter-Jan Wagemans een opera op verzoek van de ZaterdagMatinee. De première is rechtstreeks op Radio 4 vanuit het Amsterdamse Concertgebouw.

Peter-Jan Wagemans (Foto Evelyne Jacq) Europa, Nederland,Hilversum, 13- 02-2007 Peter-Jan Wagemans, Nederlandse componist, o.a. 'Legende' Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

„De hele geschiedenis bestaat eigenlijk uit verhalen, die sterk kunnen verschillen, zelfs al gaan ze over dezelfde geschiedenis. Festus, de hoofdrolspeler van Legende, is een verteller van verhalen die hem zo meeslepen dat hij er min of meer ín valt. Zijn fantasie en de werkelijkheid zijn vaak niet duidelijk te onderscheiden.”

Zaterdagmiddag vindt in het Amsterdamse Concertgebouw de première plaats van Legende, de eerste opera van Peter-Jan Wagemans (1952). De opera is gebaseerd op een verhaal van de Zwitser Rodolphe Töppfer (1799-1846), één van ’s werelds eerste striptekenaars. Diens L’Histoire de Monsieur Cryptogame (1830), in Nederland in gekuiste vorm bekend geworden als Meester Prikkebeen, vormt de basis van het libretto.

Festus („een gemankeerde Faust”) is een door vlinders geobsedeerde man, die in allerlei droomachtige situaties terechtkomt: in de maag van een walvis, en in een duister rijk dat wordt bestuurd door een tweekoppig monster, Zamar („een échte slechterik!”). De opera bestaat uit drie eenakters: de eerste is komisch, een ‘buffo’ in Victoriaanse stijl. De tweede is een dramatische opera. De derde heeft vier losse tableaus waarin elke hoofdpersoon een eigen einde zoekt.

Wagemans schreef het libretto zelf. In de foyer van het Muziekcentrum voor de Omroep, waar koor en orkest onder leiding van Jaap van Zweden repeteren, vertelt hij waarom. „Ik heb veel nieuwe opera’s van goede collega’s zien mislukken doordat de componist de greep op het proces verloor. Bijvoorbeeld omdat een productiehuis met een regisseur en een librettist aankomt. Op dat moment heb je eigenlijk al verloren.

„Operacomponisten die ik bewonder, waren vaak vreselijk kritisch op libretto’s. Puccini wist bijvoorbeeld precies wat hij kon, en wat voor libretto hij daarvoor nodig had. Soms zijn het vreselijke teksten, maar als het goede dramatische dingetje erin zat, maakte hij er wel iets goddelijks van.”

En Wagner, die niet alleen zijn eigen libretto’s schreef, maar ook kostuums en zelfs een eigen operagebouw ontwierp, was die een voorbeeld?

„Wagner zag zichzelf in de eerste plaats als dichter en dramaturg; hij was ervan overtuigd dat hij dát heel goed kon. Als componist was hij minder zeker. Ik denk dat ik alleen een libretto kan schrijven waarmee ík als componist een goede opera kan maken. Zonder literaire aspiraties. Wagner beschouwde zijn libretto’s als literatuur. Sommige zijn ook wel als toneelstuk uitgevoerd. Dat zou ik altijd weigeren.”

En was Wagner in muzikaal opzicht een voorbeeld?

„Ik wist onmiddellijk wat ik niet wilde: juist die traditie van Wagner, Berg, Rihm. Opera’s die heel dicht bij een tekst blijven; vaak met weinig opwindende gesprekken, maar waar de hevige onderliggende gevoelens in de muziek worden verklankt. Dat lag te veel voor de hand.

„Ik wilde terug naar het idee van de nummeropera. Niet heel letterlijk met een afwisseling van recitatieven en aria’s zoals bij Monteverdi of Mozart, maar wel met een scheiding van handeling en reflectie. Zo had ik ook de gelegenheid om aria’s voor de solisten te schrijven. Misschien ligt Stravinsky’s The Rake’s Progress daar in opzet nog wel het dichtst bij, met zijn schoksgewijze handelingenstroom.

„Een concreet technisch voorbeeld was Mozarts Così fan tutte. In de eerste akte wilde ik een soort Così-finale, waarin alle personages op het toneel komen en allemaal ruzie met elkaar krijgen, in één groot ensemble. Dan moet je toch even kijken hoe híj hem dat heeft geflikt.”

Zamar vertelt aan het slot van Legende hetzelfde verhaal als Festus, maar met een heel andere invulling. Waarom?

„Het standpunt van de opera is dat er geen ultiem standpunt is. Er is een groot aantal verhalen, de opeenstapeling daarvan maakt het onmogelijk een normale menselijke samenleving op te bouwen. Je kunt mensen immers alles wijsmaken. Dat is iets van een moraal: pas als je alle ideologieën aflegt, kun je waarlijk contact met elkaar krijgen.”

Een concertante uitvoering in de Matinee, – zonder regie, decors en kostuums – is dat niet eigenlijk een halve première?

„Natuurlijk. De echte wereldpremière is op de bühne. Met alle respect voor de Zaterdagmatinee, die mij deze opdracht heeft verstrekt. Maar gelukkig heeft de Reisopera concrete belangstelling om de opera te gaan ensceneren, al zijn daarover nog geen concrete afspraken.”

Legende: 17/2 13 uur Concertgebouw, Amsterdam. Radio 4: 17/2 (live); 20/2 20 uur. Inl.: www.concertgebouw.nl

    • Jochem Valkenburg