De overtocht naar de volwassenheid

In een serie ceremonies worden duizenden jongeren van de Samburu-stam in Noord-Kenia besneden in de bush. Een ritueel dat maar zelden plaatsvindt; de laatste keer was in 1990. ‘Mannen tonen trots, geen vrees.’

Resim, 14 febr. - Als een zwarte slang kronkelt de sliert joelende jongeren over de groene savanne. De dragers van de zwarte mantels – de onbesnedenen – brengen water uit een bron die nooit opdroogt, nodig voor hun overtocht naar de volwassenheid. In een serie ceremonies worden duizenden jongeren van de Samburu-stam besneden in de bush. Er vindt een verschuiving van de generaties plaats. De initiatiefeesten zijn zeldzaam: de laatste waren in 1990 en daarvoor in 1976.

Het heeft goed geregend in het Noord-Keniaanse Samburu-district, een ideale tijd voor een groot nomadenfeest. De voorbereidingen zijn al weken in volle gang. De vrouwen hebben een met doorntakken omringde kraal gebouwd, groter dan een voetbalveld, met tientallen iglo-achtige onderkomens van stokken en koeienstront. De te initiëren jongens dragen om de schouders gebonden geitenvellen, zwart gemaakt met olie en houtskool. Wanneer ze de kraal naderen zetten ze een langzame melodie in die zich vastzet de hoofden.

De emoties zullen hoog oplopen, heeft een oude man de vorige dag voorspeld. Het is twee uur in de middag en bloedheet. Er is hier geen luxe: elektriciteit, mechanisch geluid, wegen en stenen gebouwen ontbreken. Wel zijn er prikkende struiken, gras met weerhaakjes, scherpe stenen en bergen in de verte. De jongens op blote voeten dagen met hun gezang de wijze oudsten uit om de rituelen te beginnen. Maar de ouderen vertragen, ze traineren door geen toestemming te geven om de koeien binnen te halen. Geen nomadenfeest zonder vee dichtbij. De jongens worden onrustiger, ze springen, proberen te ontsnappen naar de beesten. Familieleden in rode omslagdoeken houden hen in bedwang, stof waait op, een jongen rolt op de grond, stevig bij de arm genomen door een oudere broer.

Iemand toetert door een hoorn van een kudu. Het aardse geluid vormt het sein voor een doldwaze race naar de koeien buiten de kraal. De jongens in hun wapperende geitenvellen klampen zich vast aan rennende stieren, vallen en hijsen zich op. „Zie die jochies springen in hun blote kont”, spot de oude heer Lekilele, de dorpsgek.

Onbesnedenen zijn kinderen, hoe oud ook. Deze jongens variëren van elf tot tweeëntwintig jaar, voorzover ze hun precieze leeftijd kennen. Ze hebben geen aanzien, horen bij geen enkele leeftijdsgroep, ontberen alle rechten. Hun haar is geschoren in ronde puddingvorm, of in een pluk op de kruin. Voor de ceremonie scheren de moeders hen kaal, de laatste resten van de onnozele jeugd. De getrouwde vrouwen trekken zich terug in de huizen en de meisjes staan op grote afstand toe te kijken. Mannen verdringen zich rond de huizen en leggen een koeienhuid bij de opening.

De traditionele besnijdenaar in smoezelige lendendoek gaat van hut tot hut, gevolgd door drie assistenten met steriele mesjes, watten en ontsmettend water, een concessie aan de nieuwe tijd. Overal beven benen in het zicht van wat er komen gaat. De spanning is van iedereen, voor alle generaties. Bezorgd over het gedrag van de te besnijden jongeren raken ouderen in paniek, hun lichamen sidderen. Sommigen krijgen een beroerte, er valt er een met zijn gezicht plat op de grond, een ander rolt oncontroleerbaar door het stof en een spartelende krijger probeert zich als kikker te lanceren.

Het gezang wordt luider, dan bijna hysterisch. Namorma, naakt voor het ouderlijke huis, gaat op in de hypnose. Krijgers vatten zijn armen, hij lijkt ver weg van wat er met hem gebeurt. Namorma zingt een eigen lied. Een oude man gooit melk vermengd met het water uit de bron die nooit opdroogt op zijn hoofd, Namorma zakt ineen op een vochtig hoopje ramvel op de koeienhuid. Zijn spieren ontspannen, maar het bewustzijn verliest hij niet. En hij blijft neuriën.

Mannen tonen trots, geen vrees. In hun drang zich te bewijzen verleggen krijgers de pijngrens. Een teken van pijn op het gezicht van Namorma zou zijn familie lang kunnen kwellen. Vroeger kon hij worden gedood, of zijn vee hem ontnomen. Toont Namorma nu angst, dan zullen degenen die hem bezoeken slechts met hun kont naar voren het familiehuis betreden.

De besnijdenaar hurkt voor Namorma. „Blijf kalm”, fluistert hij. Lesome, van een oudere leeftijdsgroep, houdt de jongen vast rond het middel en drukt met de andere hand diens hoofd naar beneden, een krijger omklemt zijn rechterbeen. Het mesje snijdt snel aan de geschrokken penis. Geen kik. Tijdens de ingreep van nauwelijks een minuut blijft Namorma onverstoorbaar.

Samburu’s leven volgens oud Afrikaanse traditie in broederschap, als vijf vingers aan één hand. Ze hurken en dragen Namorma naar binnen. Hun harten kloppen in solidariteit, opgezwollen aderen als snelwegen op hun armen. Namorma is slap als een dweil. Ze leggen hem op een takkenbed aan de rechtkant van de ingang.

Lesome keert terug naar buiten en vloert een koe. Met een pijl prikt hij een nekader lek en vult een kalebas met bloed. Dit mengt hij met melk. Binnen laat hij het Namorma drinken. Buiten strooit een zingende vrouw de onverteerde inhoud van geitendarmen uit over de huizen. Lof voor een nieuwe generatie.

Die avond wordt er tot in de ochtenduren geslacht, gegeten en gedanst. De oudere generaties gescheiden van de jongere, de krijgers met hun geliefden. Ze springen om het hoogst, hun nekken vooruit als kamelen, en stoten geluiden uit het diepste van hun longen. Namorma slentert al weer rond. Hij mag nog niet met de ouderen meedansen.

De dragers van de zwarte mantels hebben hun rituelen nog niet volbracht. Eén maand lang mogen ze niet baden en zullen ze met botte pijlen vogeltjes vangen voor hun hoofdtooi. Stinkend kronkelt de zwarte slang verder.