Bush kan wel winnen in Irak

Een guerrillaoorlog is wel door een regulier leger te winnen. De VS verloren niet van de Vietcong, maar van Noord-Vietnam. Geef Bush daarom nog een kans in Irak, zegt Donald Stoker.

Vietnam heeft veel Amerikanen een verkeerde les geleerd: dat vastberaden guerrillastrijders onoverwinnelijk zijn. Maar de geschiedenis laat zien dat opstandelingen zelden winnen, en Irak hoeft daarop geen uitzondering te zijn. Nu de regering-Bush eindelijk een winnende strategie heeft, bevindt zij zich in een race tegen de klok om de opstand de kop in te drukken, voordat het geduld van de publieke opinie opraakt.

De naakte, harde waarheid over de strategie van de regering-Bush om extra troepen naar Irak te sturen, is dat zij wel eens zou kunnen werken. Opstanden zijn zelden zo succesvol als het publiek gelooft. De diverse rebellengroepen in Irak zijn erin geslaagd een hoop chaos te veroorzaken. Maar zij zijn waarschijnlijk niet sterk genoeg om op de langere termijn de overhand te krijgen. Het zenden van meer Amerikaanse troepen naar Irak, met als doel het pacificeren van Bagdad, kan hun uiteindelijk de nederlaag brengen, maar alleen als de Verenigde Staten hun eerdere fouten niet herhalen.

De mythen over onoverwinnelijke guerrillero’s en opstandelingen zijn een direct gevolg van Amerika’s collectieve misvattingen over Vietnam. Dat verlies wordt meestal toegeschreven aan de genialiteit en de militaire gewiekstheid van de in pyjama’s geklede Vietcong. Maar de Vietnamezen mogen taai en volhardend zijn geweest, ze waren niet geniaal. Ze hadden eerder geluk, want ze stonden tegenover een tegenstander wiens leiders niet bereid waren om van hun fouten te leren: de Verenigde Staten.

Toen de Vietcong tijdens het Tet-offensief in 1968 rechtstreeks de confrontatie met Amerikaanse troepen aanging, werd ze gedecimeerd. Toen Zuid-Vietnam in 1975 uiteindelijk viel, was dat niet door toedoen van de Vietcong, maar van reguliere eenheden van het binnenvallende Noord-Vietnamese leger. De opstand van de Vietcong leverde wél een grote bijdrage aan de afkalving van de wil van het Amerikaanse publiek om te vechten, maar dat geldt ook voor de manier waarop president Lyndon Johnson en het Amerikaanse leger de oorlog voerden. Het waren de wilskracht van Noord-Vietnam en het Amerikaanse falen, en niet zozeer het behendige gebruik van een opstand, die de sleutel tot de overwinning van Hanoi vormden.

Soortgelijke misverstanden bestaan over de nederlaag van de Sovjet-Unie in Afghanistan, het tweede voorbeeld van de veronderstelde onoverwinnelijkheid van guerrillero’s. Maar het was niet zozeer de kracht van de mudjahedin die de Sovjets tot de terugtocht dwong, het was de economische en politieke zwakte van de Sovjet-Unie zelf. Het regime dat de Sovjets in Afghanistan op de been hadden gehouden, bleek in feite zo sterk dat het tot drie jaar na het vertrek van het Rode Leger aan de macht wist te blijven.

De geschiedenis kent uiteraard ook geslaagde opstanden. De triomf van Fidel Castro op Cuba is waarschijnlijk de bekendste, naast de gedeeltelijke overwinning van de IRA in 1922 op de Engelsen en de nederlaag van de Fransen in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog tussen 1954 en 1962. Maar de lijst van mislukte opstanden is langer: de Maleisische communisten, de Griekse communisten, de Filippijnse Huks, de Nicaraguaanse Contra’s, de communisten in El Salvador, Che Guevara in Bolivia, de Boeren in Zuid-Afrika (tweemaal), Jonas Savimbi in Angola, en Sindero Luminoso in Peru, om er maar een paar te noemen.

Als de huidige Amerikaanse regering haar wilskracht behoudt, Bagdad weet veilig te maken en erin slaagt de regering en het leger naar behoren te laten functioneren, is er geen reden dat de Iraakse opstand niet op dezelfde wijze de kop kan worden ingedrukt, of minstens kan worden teruggebracht tot het niveau van schamele terreuraanslagen.

Opstanden mislukken meestal als het enige waartoe ze in staat zijn het voeren van een ongeregelde oorlog is. Succesvolle beoefenaars van de kunst van de guerrillastrijd, van Nathanael Greene in de Amerikaanse Revolutie tot Mao Zedong in de Chinese burgeroorlog, hebben gehamerd op het bezit van een regulier leger, waaraan hun guerrillakrachten voornamelijk hand- en spandiensten verleenden.

Opstanden hebben ook te kampen met inherente zwakheden en nadelen ten opzichte van een gevestigde staat. Zij moeten het stellen zonder overheidsgezag, vaste trainingskampen en zonder veilige aanvoerlijnen. Het gevaar is dat opstandelingen wel over deze zaken kunnen beschikken, als ze daarvoor de tijd krijgen. En als ze die eenmaal hebben, zijn ze een aardig eind op weg om zichzelf op te werpen als een reëel en krachtig alternatief voor de regering. Als ze dat punt weten te bereiken, kunnen ze heel goed succes boeken.

Daarom is de werkelijke vraag in Irak niet of de opstand kan worden verslagen – dat kan. De echte vraag is of de Verenigde Staten de kans wellicht al gemist hebben om de voedingsbodem van de opstandelingen weg te nemen.

De Verenigde Staten zijn er niet in geslaagd om de veiligheid van de Iraakse bevolking te garanderen. Het gevolg is een klimaat van angst en onzekerheid in de delen van het land die door de opstandelingen worden overspoeld, met name Bagdad. Dit ondermijnt het vertrouwen in de gekozen Iraakse regering en maakt het haar lastig haar autoriteit te laten gelden in de door de opstandelingen beheerste gebieden.

Het opruimen van de opstandelingen en het garanderen van de veiligheid zal veel tijd en veel mankracht kosten. Het sektarisch geweld voegt daar nog een bloedig element aan toe. De Verenigde Staten en de Iraakse regering hebben te maken met sunnitische en shi’itische opstanden, en met de extra complicatie van de guerrillero’s van Al-Qaeda.

Maar de strategie van het sturen van extra troepen kan een zeldzame kans op succes bieden – als het Pentagon en het Witte Huis maar geleerd hebben van hun vroegere fouten. Voorheen ruimde het Amerikaanse leger gebieden als de beruchte Haifa Street in Bagdad op, maar slaagde het er niet in daarna de veiligheid te garanderen. Daarom konden de opstandelingen eenvoudigweg terugkeren en opnieuw voor chaos zorgen.

Het Witte Huis is er tot nu toe niet in geslaagd de Iraakse regering ervan te overtuigen om elementen te verwijderen die haar autoriteit ondermijnen, zoals het Leger van de Mahdi van Muqtada Sadr. In zijn recente toespraak over Irak gaf Bush die fouten ook toe, waardoor de hoop is gegroeid dat ze niet zullen worden herhaald.

Dat is welkom nieuws, omdat één ding zeker is: de tijd raakt op. Het verslaan van een opstand duurt meestal acht tot elf jaar. Maar de regering heeft de Amerikaanse publieke opinie zó slecht bespeeld – om maar te zwijgen over de manier waarop de oorlog is gevoerd – dat zij een groot deel van haar potentiële steun al heeft verloren.

Eén tragedie van de oorlog in Irak kan zijn dat de nieuwe strategie te laat is gekomen om een zeldzame, beslissende overwinning van de opstandelingen te voorkomen.

Donald Stoker is hoogleraar strategie en beleid bij het Monterey Program van het US Naval War College. Hij is auteur en redacteur van diverse boeken, waaronder het binnenkort te verschijnen ‘From Mercenaries to Privatization: The Evolution of Military Advising’. © Foreign Policy