Balling tussen Frankrijk en Algerije

Bled Number One. Regie: Rabah Ameur-Zaïmeche. Met: Rabah-Ameur-Zaïmeche, Meryem Serbah, Abel Jafri. In: Filmhuis, Den Haag; Lux, Nijmegen.

Middenin Bled Number One ligt een enorm schip, als een gestrande walvis in de branding. Het ligt daar tussen water en land, tussen hier en daar, tussen de twee helften van de tweede film van de Algerijnse-Franse regisseur Rabah Ameur-Zaïmeche (1966). Het ligt tussen de mannen uit het eerste deel en de vrouwen uit het tweede, tussen traditie en vooruitgang, tussen natuur en samenleving. Hoofdpersoon Kamel (gespeeld door de regisseur zelf) is een banneling in eigen land. Hij is Frankrijk uitgezet na een gevangenisstraf, maar in Algerije hoort hij ook niet meer thuis. Hij ís dat schip, die schipbreukeling op vreemde kust, een verstekeling in zijn eigen leven.

Bled Number One (het Arabische ‘bled’ uit de titel betekent iets als ‘vaderland’) laat Kamel zoeken naar zijn roots. Niet dat hij dat weet, of wil. Als een slaapwandelaar dwaalt hij langs de plaatsen van zijn jeugd, praat met zijn vader, broers, neven, ooms die nooit het water zijn overgestoken. Over religie. Of over niets. Maar vooral kijkt en observeert hij en door zijn ogen kijkt de toeschouwer mee naar een land dat ook hem vreemd, archaïsch, wreed, onbekend en poëtisch voorkomt.

Ameur-Zaïmeche is een van die filmmakers die door zogenaamd simpelweg te filmen – de straat, een dakterras, met al zijn echte ooms en neven in bijrollen, alsof het een geïmproviseerde documentaire is – de werkelijkheid een magisch-realistische helderheid kan geven. Voordat hij films ging maken studeerde hij onder meer sociologie in Parijs. Zijn blik op wat je zomaar waarneemt op straat is net iets scherper, nieuwsgieriger, kritischer dan die van een gewone passant. Hij drijft een wig tussen wat je ziet en wat erachter schuil gaat. Daarom lijkt Algerije in de eerste helft van de film wel een wereld waarin geen vrouwen leven en kan Zaïmeche in het tweede deel een kijkje nemen achter de sluiers en gordijnen waar zij zich verschuilen.

Muziek is voor Zaïmeche de beste manier om zich in deze film uit te drukken. Eerst in de melodie, met de tijdsduur van de beelden van het oeroude landschap en de mensen die er leven als lichte percussie-elementen op die eeuwige grondtonen. in de slotscène zit gitarist Rodolphe Burger middenin het diepste Algerijnse landschap en speelt. Hier wordt de zwaartekracht van het vaderland of het moederland opgeheven.