Artiest (2)

„Herman ’t Hart, de artiest?” vroeg ik.

„Ja”, zei hij, met enige verbazing.

Hij lag in het ziekenhuis, waar hij op zijn huistelefoon was aangesloten. Ze lieten hem voorlopig niet gaan. Vierentachtig was hij inmiddels, en altijd gezond geweest – tot hij opeens enkele zware operaties moest ondergaan.

Enkele maanden later. Hij ontvangt me in zijn rustig gelegen appartement in het hartje van Antwerpen. Een broze, moeilijk lopende man die onmiddellijk het woord neemt – om het niet meer af te staan. Dat iemand nog ooit belangstelling voor hem als artiest zou hebben, dat had hij niet meer verwacht.

Ik zeg hem dat ik probeer te begrijpen waarom iemand zó volkomen vergeten kan worden. Dat is niet zo vreemd, zegt hij, hij had zich als artiest steeds meer op het buitenland gericht. In de jaren vijftig en zestig was hij in Nederland conferencier geweest, iemand die de verschillende acts in programma’s met grappen aan elkaar praatte en ook zelf een groot nummer bracht.

Hij speelde uitstekend trompet en contrabas. Als jongen al. Hij kwam uit een goed milieu, zijn vader was docent wiskunde. Simon Carmiggelt was in de Haagse Druivenstraat („zij op nummer 19, wij op 17”) nog zijn buurjongen geweest. „Eigenaardige, maar altijd aardige jongen. Toen ik eens op mijn trompet oefende, zei hij: ‘Wat moet je voor dat ding hebben? Maar koop je er dan geen nieuwe voor?’”

Hij kreeg een hekel aan zijn bestaan als conferencier, ook al trad hij met veel bekende artiesten op, zelfs voor de koninklijke familie: Corry Brokken, Mieke Telkamp, Conny Vandenbos, de Mounties (‘een proleet, die Bambergen’), Willeke Alberti, The Shepherds, Vera Lynn (‘aardige, eenvoudige vrouw’) , Max Tailleur, de jonge Marco Bakker, Cliff Richard ook. Hij kwam vaak op de radio, een enkele keer, met het orkest van Johnny Holshuysen, op de tv.

Maar hij kreeg genoeg van het vele reizen in het schnabbelcircuit, het lange wachten in de coulissen en vooral de vergroving in de teksten, die halverwege de jaren zestig in zwang kwam. Hij had altijd voor ‘beschaafd entertainment’ gestaan. Liever zocht hij zijn heil in het buitenland, vooral in Duitsland en Zwitserland, waar hij in grote, dure hotels maandenlange engagementen kon krijgen.

Hij laat me enkele op band opgenomen liedjes horen. Hij zong goed, in een stijl die aan Wim Sonneveld doet denken. Hij kende Sonneveld, maar hij deelde niet diens passie voor ‘het vak’, hij was na de oorlog vooral artiest geworden om geld te verdienen. Met zijn vaste vriend, Otto Balogh, – inmiddels overleden – aan zijn zijde, verbleef hij ten slotte meer in het buitenland dan in Nederland.

In al die chique skioorden waar hij optrad, kwam hij in aanraking met de hoogste kringen, topmensen uit het bedrijfsleven en de diplomatie. De drank vloeide er rijkelijk, de zeden waren er tamelijk los, en vooral nogal biseksueel. Hij noemt namen van prominente, getrouwde mannen met wie hij lang bevriend was. Hier, een foto van een Nederlandse topindustrieel, met de geschreven opdracht: „To Herman ’t Hart – a reason for everything.”

„Ze waren allemaal verliefd op u”, zeg ik.

Hij lacht, een tikje gevleid. Het is allang voorbij, dat leven. Zo’n vijfentwintig jaar geleden hield hij op met optreden.