Virtueel schieten scherpt de blik

Spelers van videogames die regelmatig nepgeschut bedienen, worden beter in het verwerken van visuele informatie. Snel schieten op bewegende doelen oefent hen in het onderscheiden van dicht opeengepakte tekens.

Actiescene uit het videospel 'Unreal Tournament'

Michiel van Nieuwstadt

Computergames scherpen het oog. Tenminste als ze bol staan van actie en geschiet in alle richtingen. Onderzoekers van de universiteit van Rochester lieten studenten die niet of nauwelijks videogames spelen – het viel niet mee om die te vinden – een paar uur per dag Unreal Tournament spelen. Dat is een zogeheten first person shooter, waarin de speler over een geweerloop kijkt en de virtuele wereld in schiet. Na een maand spelen waren de studenten beter in staat om een bepaalde letter te identificeren tussen andere tekens.

Hoogleraar cognitiewetenschappen Daphne Bavelier en haar studente Shawn Green schrijven in het jongste nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Psychological Science dat spelletjes als Unreal Tournament het uiterste vergen van het menselijk gezichtsvermogen. Studenten die Tetris speelden, waarbij blokjes op de juiste manier in een patroon moeten vallen, gingen er visueel niet op vooruit.

Sommige ouderen met gezichtsproblemen en kinderen met een lui oog hebben moeite met het onderscheiden van tekens of symbolen die dicht op elkaar gepakt zijn. De auteurs suggereren dat het spelen van actiegames hen zou kunnen helpen.

Het onderzoek van Bavelier en Green past in een reeks van studies naar vaardigheden van spelers van computergames. Ze bieden enig tegenwicht aan de wetenschappelijke aanwijzingen voor negatieve effecten van computerspelletjes. Gamen gaat vaak ten koste van echte lichaamsbeweging en het zou agressief gedrag bevorderen, op de korte termijn tenminste. Intussen is aangetoond dat gamers sneller reageren op visuele signalen en dat ze beter in staat zijn om verschillende (visuele) taken tegelijk uit te voeren. Daarbij komt nu deze verbetering in visueel vermogen.

Een letter onderscheiden is moeilijker als er andere tekens omheen staan gepakt. Bavelier en Green lieten studenten kijken naar drie hoofdletters T boven elkaar. Ze moesten binnen 0,1 seconde vaststellen of de middelste van de drie al dan niet op zijn kop stond. Na dertig uur Unreal Tournament gingen acht studenten en acht studentes er gemiddeld 20 procent op vooruit: ze konden T’s onderscheiden die dichter bij elkaar stonden.

Eerdere studies hadden laten zien dat gamers het beter doen als ze een teken moeten identificeren dat op een onverwachte plaats verschijnt op een beeldscherm. In dit geval was de plaats waar de T op het scherm kwam tevoren bekend. Volgens de auteurs is dit een aanwijzing dat de visuele cortex van de gamers beter getraind raakt in de verwerking van visuele informatie.

Victor Lamme, hoogleraar cognitieve neurowetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam, wijst erop dat Bavelier en Green geen verbetering van de gezichtsscherpte hebben aangetoond. „Je gezichtsscherpte bepaalt hoe je scoort op de letterkaart bij de opticien. Gezichtsscherpte is niet te trainen, die wordt bepaald door de dichtheid van de staafjes en de kegeltjes in je netvlies.”

In dit geval is het oplossend vermogen van de blik van de studenten verbeterd. Lamme: „Dat betekent dat er op een of andere manier neuronen verlegd zijn naar het deel van de hersenen dat deze informatie verwerkt. Dat soort sensorische veranderingen zijn eerder aangetoond bij mensen die bijvoorbeeld een vinger verliezen: dan kan meer hersenschors besteed worden aan het voelen van de resterende vingers.”

Het resultaat van Bavelier en Green is extra bijzonder, omdat de studenten de T’s beter kunnen onderscheiden op drie meter afstand, maar ook op 50 centimeter van het beeldscherm.

Lamme: „Bekend is dat specifieke delen van de cortex verbonden zijn aan delen van het gezichtsveld. Ongeveer een derde van de visuele cortex bestrijkt de middelste vijf procent van een blikveld van 180 graden. De rest gebruik je om de periferie waar te nemen. Ik speel zelf computerspelletjes en daarbij is het belangrijk dat je aandacht hebt voor zaken die zich afspelen buiten de focus van het gezichtsveld. Dan is het denkbaar dat neuronen in het brein zich in die richting verleggen. Maar de studenten kunnen de T’s onderscheiden op diverse afstanden. Het lijkt erop dat er in dit geval iets anders aan de hand is. De vraag is dan vanuit welk deel van de virtuele cortex de neuronen zijn verlegd, tenminste als je ervan uitgaat dat er geen nieuwe neuronen zijn aangemaakt. Het kan ook zijn dat iets verandert aan de verbindingen tússen de neuronen.”