Romantiek van de gluurder

Bestaat er toeval in een omgeving waar alles draait om controle, vraagt Grunberg.

Hij bezoek Guantánamo Bay. Deel 2 in een serie.

Een Amerikaanse militair staat op wacht in een celblok in Guantánamo Bay op Cuba. Er zijn geen vrouwelijke gevangenen op ‘Gitmo’. Foto AFP (FILES) This picture taken 05 December 2006 shows a US military guard standing in his cellblock post inside the maximum security Camp V area at the US Naval Base in Guantanamo, Cuba. Approximately 445 enemy combatants from al Qaeda and the Taliban are in various security levels of lock-up in Camp Delta here by a US Joint Task Force.The five-year anniversary of the opening of Guantanamo is 11 January 2007. AFP Photo/Paul J. Richards AFP

Wie een oordeel wil vellen over de kampen op Guantánamo Bay (‘Gitmo’) ontkomt er niet aan de vraag te beantwoorden of wij ons midden in de Global War on Terrorism (GWOT) bevinden. Als er zoiets bestaat als de GWOT, als daar gegronde redenen voor zijn, dan is er behoefte aan een opvangcentrum waar vijandelijke strijders tot nader order kunnen worden opgesloten. En als er geen GWOT is, of althans als wij daar geen deel van uitmaken, dan is de vraag: wie is onze vijand? Voor wie staan daar die metaaldetectoren?

Rest nog de vraag of dit de beste manier is om de vijand op te sluiten. Of opsluiting überhaupt een redelijk en zinnig antwoord is op al die elementen die wij als crimineel beschouwen. Verder is het goed om te beseffen dat wanneer de gevangenen die nu op Gitmo vastzitten zouden zijn opgepakt door de Russen in Tsjetsjenië, zij allang spoorloos waren verdwenen. Uiteraard na eerst te zijn gemarteld. In de meeste Arabische landen was hun hetzelfde overkomen. Nog niet lang geleden zorgden de meeste regeringen in Zuid-Amerika ervoor dat ongewenste elementen gemarteld werden om vervolgens te verdwijnen. Wij deden daar niet moeilijk over. Het was Zuid-Amerika.

Maar als het om de Verenigde Staten gaat, hanteren wij andere maatstaven. Niet ten onrechte. Amerika wil een licht onder de naties zijn.

Het is maandag en ik land op Gitmo. Ik moet even wachten, maar dan verschijnt staff sergeant Scott in een bus. Het soort bus waarin in New York schoolkinderen worden vervoerd. „Dit is nog nooit gebeurd”, zegt de staff sergeant. „Lynx Air landt te vroeg. En het regent. Ook uitzonderlijk.” Samen met mijn collega’s Pete en Michelle van de Toronto Star beklim ik de bus. Het is al donker.

De Joint Task Force Guantánamo Bay (JTFGTMO) heeft mij uitgenodigd hier te komen, in de hoop dat ik iets zal rechtzetten. Ik heb mijn uiterste best gedaan me te laten uitnodigen, maar toch. Dit is een kamp dat aan de wereld getoond wordt, althans gedeeltelijk. Een showkamp, zou de cynicus zeggen. De staff sergeant rijdt ons naar onze slaapvertrekken. Ik krijg een kamer met vier bedden, een keuken en een glibberige douche. Pete blijkt zijn kamer te moeten delen met een journalist uit Londen die we nog niet hebben ontmoet.

Zou het Amerikaanse leger hebben gezegd: „Die Grunberg isoleren we een beetje.” Of is het toeval? Bestaat er in een omgeving als deze waar alles draait om controleren en gecontroleerd worden toeval? De staff sergeant geeft ons tien minuten om ons te installeren. Daarna worden wij in de perskamer verwacht.

De perskamer is een fel verlichte ruimte naast de receptie, met enkele telefoons en de mogelijkheid gebruik te maken van snel internet à honderd dollar, vooraf te betalen.

De vierde reporter verschijnt. Hij had een vlucht eerder, hij vloog met Air Sunshine. Damien van de Britse Daily Telegraph, een bleke jongeman van mijn leeftijd met een grote bril en bruin haar. Hij herinnert me merkwaardig genoeg aan mijn overleden verloofde. Wij installeren onze computers. Kort daarop betreedt kapitein Byer de perskamer. Een man die al een jaar lang journalisten door de kampen voert. Het heeft hem uitgeput. Hij deelt persmappen uit.

„Ik weet dat jullie gewend zijn individueel te werken”, zegt hij, „maar er bestaat hier geen individualiteit, geen exclusiviteit. De tour die jullie de komende twee dagen zullen maken, is al door ongeveer duizend journalisten gemaakt. Het is een machine.” Hij kijkt ons aan als iemand die eraan gewend is gehaat te worden.

„Jullie kunnen vragen: Mag dit kapitein? Mag dat, kapitein? Ik zal beleefd nee zeggen. De komende dagen zullen jullie de hele tijd samen zijn. Wen er nu maar alvast aan. En weet hoe bijzonder het is dat jullie dit te zien krijgen. Alsof je midden in de Tweede Wereldoorlog een krijsgevangenkamp in mag, of tijdens de Balkanoorlogen een concentratiekamp mag betreden.” Hij verbeter zichzelf. „Een kamp mag betreden.”

Een van de collega’s noteert iets. Ik denk, ik moet ook iets noteren, ik pak mijn opschrijfboekje en noteer in paniek: „We zullen de komende dagen samen zijn.” Niet alleen het Amerikaanse leger houdt ons de in de gaten, we houden elkaar ook in de gaten. Bevreesd als we zijn dat de collega toch een kruimeltje exclusiviteit ten deel zal vallen. De kapitein heeft meer slecht nieuws. We kunnen geen Administrative Review Board-sessie bijwonen omdat de betreffende enemy combatants besloten hebben niet te verschijnen.

De Administrative Review Board stelt ieder jaar opnieuw vast of de enemy combatant echt een enemy combatant is. Let wel: dit is geen juridisch proces. De commissie stelt geen schuld vast. Schuld telt niet op Gitmo. Wat telt is de vraag of je een EC bent geweest. Wat je nu bent, is onbelangrijk. Je kunt psychisch ziek zijn geworden, maar daar houdt de Adminsitrative Review Board geen rekening mee. De commissie kijkt naar wat je bent geweest, niet wat je bent.

Even wat feiten: er zijn geen vrouwelijke enemy combatants op Gitmo. Ook geen minderjarige EC’s. Die waren er wel, maar ze zijn, en dat is heuglijk nieuws, meerderjarig geworden. De collega’s gaan naar de Clipper Club. Een van de weinige plekken waar we alleen gelaten zullen worden. Verder zal het leger ons overal volgen, ook, zo zal ik aan den lijve ervaren, als we naar de wc gaan.

De Clipper Club is leeg. De barkeeper warmt pizza’s op in de magnetron. Damien is een lange tijd in Irak geweest, en de twee Canadese collega’s hebben de man ontmoet die de laatste, fatale rendez-vous voor [de in 2002 vermoorde Wall Street Journal-verslaggever] Daniel Pearl in Pakistan regelde. De romantiek van de oorlogscorrespondent is de romantiek van de gluurder.

Om tien uur gaan we naar bed. In mijn kamer smaakt de lucht naar zeep. Ik kan niet slapen, ik besluit naar Joy Division te luisteren. ‘I guess you were right, when we talked in the heat/ there is no room for the weak, no room for the weak./ Where will it end?’

De volgende ochtend brengt staff sergeant Scott ons naar de haven. Daar ligt een veerboot om ons naar de andere kant van de baai te varen. Het Gitmo waar de kampen zijn. Over land kun je daar niet komen. Tenzij je door Cuba gaat. In het andere Gitmo komen we langs een bord waarop staat: „Waarde van de week: respect.”

„Wat is dat?”, vraag ik.

„Het leger is een instituut gebaseerd op waarden”, zegt de kapitein. „Dat is mooi aan het leger. Er zijn zeven verschillende waarden. Zo’n bord herinnert ons aan die waarden.”

Lees aflevering 1 in deze serie: www.nrc.nl/kunst

    • Arnon Grunberg