Ontwikkelingshulp: stoppen of doorgaan?

Prof. Piet Emmer hield in de serie ‘Advies aan de informateur’ een pleidooi om te stoppen met ontwikkelingshulp. Hieronder een selectie uit de reacties van lezers.

Ontwikkelingshulp is een taaie uitdaging

Piet Emmer adviseert de informateur om te stoppen met ontwikkelingssamenwerking (Opiniepagina, 2 februari). Het haalt – met uitzondering van noodhulp – niets uit.

Misschien dat we in de jaren zestig en zeventig nog geloofden dat ontwikkelingssamenwerking de armoede zou moeten oplossen. Sindsdien weten we als ontwikkelingsorganisaties beter. Met bescheidener ambities en het besef dat ontwikkelingshulp niet in staat is negatieve effecten van structurele aanpassingsprogramma’s en schommelingen in prijzen van grondstoffen te compenseren, is ontwikkelingssamenwerking realistischer geworden.

Het is blijkbaar aan Emmer voorbijgegaan dat ontwikkelingsorganisaties zich inmiddels niet alleen meer met losse projecten (een school hier, een kliniek daar) bezighouden. De aandacht voor eerlijke handel, voor veiligheid en ontwikkeling, voor migratie laat zien dat deze organisaties begrepen hebben dat de kern van het probleem zit in machtsverhoudingen, tussen Noord en Zuid, tussen mannen en vrouwen, tussen verschillende etnische groepen, tussen rijke elites en de massa’s in de sloppenwijken en op het platteland.

Het rapport van de Wereldbank over 2006 noemt het ontbreken van gelijkheid en het ontbreken van verdelingsmechanismes als één van de kernproblemen van ontwikkeling. Daaraan werken is dus nog steeds hard nodig én een taaie uitdaging.

René Grotenhuis

Algemeen directeur Cordaid

Ontwikkelingslobby is ongemeen sterk

Veertien jaar heb ik in de gezondheidssector in ontwikkelingslanden gewerkt. Daarnaast heb ik vanuit Nederland een kleine twintig korte missies naar ontwikkelingsprojecten uitgevoerd. Dit alles met bijzonder veel voldoening. Toch werd ik in toenemende mate bang dat iemand een artikel zou schrijven als dat van Piet Emmer. Bang, omdat ik eigenlijk geen goed weerwoord zou kunnen bedenken. Hij heeft namelijk helemaal gelijk als hij zegt dat een duidelijk verband tussen hulp en ontwikkeling eigenlijk nooit is aangetoond.

Tegenspraak zal Emmer ondervinden binnen de enorme ‘ontwikkelingslobby’ die inmiddels in Nederland en bij de EU is ontstaan: mensen wier dagelijks brood en carrière afhankelijk zijn van het financieren van zoveel mogelijk projecten. Het is nog niet zo lang geleden dat ik – als consultant – een evaluatiemissie van de EU mocht leiden en dat ons team de EU adviseerde om voorlopig terughoudend te zijn met het overmaken van geld naar een bepaald gezondheidsproject, omdat er nog 90 miljoen euro in de pijplijn zat. Dat wil zeggen, nog niet verantwoord door het ontvangende land. Niettemin maakte de EU kort daarna toch nog eens 20 miljoen euro over, „want”, zo zei een hoge EU-functionaris, „er ligt in Brussel nog 8 miljard euro op een bestemming te wachten en dat kunnen we toch moeilijk teruggeven aan de Europese belastingbetaler”.

Eric de Winter

Arnhem

Zoek andere vorm voor ontwikkelingshulp

Tijdens elke kabinetsformatie verschijnt steevast een artikel waarin wordt gepleit voor het stoppen met de Nederlandse ontwikkelingssamenwerking. Deze keer van bijzonder hoogleraar Piet Emmer. Het is belangrijk te analyseren hoe het komt dat deze armoede en ongelijkheid in stand blijven ondanks alle ontwikkelingsinspanning. Jammer dat in Emmers artikel een dergelijke analyse ontbreekt.

Met een verklaring van dit probleem krijgen we namelijk ook zicht op een alternatief: een andere manier dan de traditionele ontwikkelingshulp om onze betrokkenheid bij het wereldwijde armoedevraagstuk vorm te geven. Met wellicht meer aandacht voor ongelijke handelsverhoudingen, democratisering en mensenrechten en minder politiek en economisch eigenbelang.

Marten van den Berge

Amsterdam

Ook prins Claus zag falen hulp Derde Wereld

Prof. Emmer bevindt zich met zijn pleidooi ‘Stop met ontwikkelingshulp’ in goed gezelschap.

In zijn boek De wereld volgens Prins Claus schrijft Frans Bieckmann dat prins Claus in 1999 tijdens de herdenkingsbijeenkomst van 50 jaar ontwikkelingshulp in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam niet mocht spreken. Men was bang dat hij uitspraken zou doen die in strijd waren met het ontwikkelingsbeleid van het kabinet.

Enkele voorbeelden: 50 jaar ontwikkelingssamenwerking heeft een situatie geschapen, waarin een netto-overdracht plaatsvindt van arme naar rijke landen. De kloof tussen arm en rijk is steeds groter geworden. De bewering dat landen die het hebben ‘gemaakt’ het ook zonder buitenlandse steun zouden hebben gered, is niet overdreven. Er is sprake van paternalisme en arrogantie van veel deskundigen.

Nederland dat zich altijd op de borst klopt om zijn altruïsme, kiest nog altijd voor het kortetermijnbeleid, voor de eigen welvaart.

Eindconclusie van prins Claus: ontwikkelingssamenwerking is mislukt.

Mr. E. Jongens

Den Haag

Geld ontwikkelingshulp wel degelijk goed besteed

In tegenstelling tot wat Piet Emmer stelt, namelijk dat ontwikkelingshulp niet tot vooruitgang leidt, is er wel degelijk sprake van vooruitgang. Tussen 1980 en 1999 daalde het percentage extreem armen van 35 procent naar 18 procent van de wereldbevolking. De kindersterfte is sinds 1970 bijna gehalveerd en het percentage schoolgaande kinderen steeg van minder dan vijftig procent in 1960 tot 82 procent nu. Uit metastudies van onderzoekers van de Wereldbank blijkt verder dat landen die veel hulp krijgen het economisch beter doen.

De stekker moet daarom vooral niet uit de hulp. Vooral Afrika worstelt met onvoorstelbare problemen, waarvan aids, malaria, corruptie en opwarmend klimaat er maar een paar zijn. Afrika heeft last van de ‘wet van de remmende achterstand’. Om aan te haken bij de wereld is forse verbetering nodig betreffende zaken als onderwijs, infrastructuur, gezondheidszorg en kwaliteit van bestuur.

Juist ontwikkelingshulp kan op deze vlakken een grote rol spelen. Onder meer Spanje, Engeland en de VS lijken dat te beseffen en schroeven de hulpbudgetten jaar na jaar op. Dit doen ze overigens niet louter uit naastenliefde, maar ook vanuit het besef dat extreme armoede bijdraagt aan vluchtelingenstromingen, maatschappelijke instabiliteit en uiteindelijk ook aan oorlog en terrorisme.

Ook hebben extreem arme mensen nauwelijks oog voor milieu en natuurlijke hulpbronnen. Ontwikkelingssamenwerking is daarom niet alleen in het belang van ‘daar’, maar zeker ook van ‘hier’.

Marcel Schreurs

directeur COS Oost-Brabant

Miriam Vossen

journalist

Het artikel van Piet Emmer is te na te lezen op www.nrc.nl/opinie