Of ze doen mee, of ze vertrekken

Het kabinet houdt vast aan het plan om overlastgevende Antillianen terug te sturen.

Rotterdam kiest sinds vorig jaar voor een andere aanpak: opvoeden met harde hand.

Frank Nissen gaat namens de gemeente Rotterdam dagelijks op huisbezoek bij overlastgevende Antillianen. Foto Rien Zilvold Frank Nissen gaat namens de gemeente Rotterdam dagelijks op huisbezoek bij overlastgevende Antillianen. „Nietsdoen is geen optie.” Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold rotterdam frank nissen verhaal over antilianen foto rien zilvold Zilvold, Rien

Na vijf keer langdurig bellen doet een slaperige Antilliaanse vrouw in een hempje en afgeknipte joggingbroek de deur open. En meteen weer dicht. Even later doet een vrouw in een roze babydoll open. De huiskamer is vrijwel leeg, op een oude leren bank, een tafel met vier stoelen, een grote televisie en een reusachtig aquarium dat donkergroen ziet van de algen na. In de open keuken kuieren tientallen kakkerlakken rond.

Opeens staat de flat vol, met twee politieagenten, een man van woningbouwvereniging Woonbron, een mevrouw van de sociale dienst, Rob Poulus van Stadstoezicht en Frank Nissen, meewerkend voorman persoonsgerichte aanpak Antillianen. Vandaag gaat de groep onder leiding van Nissen – qua voorkomen een mengeling van een politieman, een straathoekwerker en een bokser – notoir overlastgevende Antilliaanse gezinnen langs op de Heindijk in de Rotterdamse deelgemeente IJsselmonde. Op elke galerij krijgen de gezinnen bezoek; ze krijgen hulp aangeboden (schuldsanering, opvoedingsondersteuning, hulp bij het vinden van een opleiding of werk) maar het is niet vrijblijvend. Als hulp wordt geweigerd, volgen er sancties.

De kakkerlakken zijn de directe aanleiding voor het bezoek aan de twee Antilliaanse vrouwen. Er is een lekkage in een van de keukenkastjes, het water komt bij de onderburen door het plafond, maar de monteur weigert het lek te repareren. Hij vindt het er te vies. Rob Poulus, een vijftiger met een vaderlijke uitstraling, doet het woord: „Waar zijn de kinderen”, vraag hij. „Naar school”, zegt de vrouw. „Ah, en toen dacht u, ik kruip er nog lekker even in”, zegt Poulus.

Deze maand publiceerde criminologe Marion van San van de Erasmus Universiteit een onderzoek waaruit blijkt dat tien procent van de Rotterdammers van Antilliaanse afkomst in aanraking komt met de politie. Van de gehele Rotterdamse bevolking is dat nog geen drie procent. Antillianen zijn sterk oververtegenwoordigd in drugs- en gewelddelicten. In Rotterdam wonen circa 20.000 mensen van Arubaanse of Antilliaanse afkomst.

Het onderzoek van Marion van San was een invulling van wat de gemeente Rotterdam als opdrachtgever al wist: een relatief klein deel van de Antilliaanse gemeenschap in Rotterdam veroorzaakt extreme overlast en is verantwoordelijk voor zware criminaliteit. Burgemeester Opstelten en de gemeenteraad vonden een specifiek Antillianenbeleid noodzakelijk. Alle Antillianen vanaf de leerplichtige leeftijd tot 35 jaar moeten op school zitten of in een justitieel traject, of werk hebben. „Meer smaken zijn er niet”, zei Opstelten begin vorig jaar op een persconferentie.

Kort daarna werd Leo Zevenbergen aangesteld als stadsmarinier Antillianen om een persoongerichte aanpak te ontwikkelen. Een specifieke aanpak is goed te verdedigen, omdat het een groep is met heel eigen kenmerken, vindt Zevenbergen. „Een Antilliaan zal bijvoorbeeld niet snel zelf hulp zoeken. Je moet naar ze toe. Outreachend werken noemen wij dat.” Daarvoor kwamen in deelgemeenten met veel Antillianen (IJsselmonde, Feijenoord en Charlois) teams zoals dat van Frank Nissen. „De problemen van deze gezinnen zijn zo groot”, zegt Zevenbergen, „die los je niet zo even op. Het vergt een lange adem. Maar nietsdoen is geen optie.” Het is een taaie doelgroep, zegt Nissen. „Als je druk gaat uitoefenen, gaan ze óf mee, óf ze vertrekken. En dan duiken ze later weer op in Breda. Of op Curaçao.”

Antillianen kennen elkaar allemaal, zegt Nissen. Maar hij kan nauwelijks een beroep doen op familieleden om te corrigeren. „De familie is niet hiërarchisch georganiseerd, zoals bijvoorbeeld bij Marokkanen. Het is los zand.” Maar er is een uitzondering: oma. „Als je oma mee hebt, komt opeens de dochter, die altijd op pad is, binnenwandelen en wil ze best een keer praten.”

Nissen loopt door de flat en telt de bedden – een tweepersoons en twee eenpersoons. De tweede vrouw blijkt op het balkon te zitten. Als ze door heeft dat ze is gezien, klimt ze door het raam naar binnen. „En u, hoeveel kinderen heeft u”, vraagt Rob Poulus. „Drie.” Poulus kijkt in de papieren. „Die staan niet ingeschreven.” Hij wacht even. „Weet u wat dat betekent? Dat ze niet verzekerd zijn. U bent volwassen, u kunt dat voor uzelf uitmaken. Maar voor kinderen moet je goed zorgen. Waar zijn ze?” De vrouw haalt haar schouders op. „U weet het niet? Dan gaan we dat melden bij Bureau Jeugdzorg.”

De Antilliaanse bewoners van de flat op de Heindijk komen bijna allemaal uit de Curaçaose achterstandswijk Seru Fortuna. Iedereen kent elkaar van Curaçao. Ook later op de ochtend liggen de meeste bewoners nog op bed. Meestal zijn vrouwen hoofdbewoonster, maar liggen er matrassen voor langskomende mannen.

Criminologe Van San noemt die levensstijl als reden voor het relatief grote aandeel van vrouwen in de criminaliteit, meestal in een ondersteunende rol. Volgens Van San hebben de vrouwen het geld dat mannen met criminele activiteiten verdienen, hard nodig omdat ze vaak geen andere inkomsten hebben. „Ze verbergen wapens voor de jongens, ze staan op de uitkijk voor de politie. Het hele gezin leeft van de inkomsten.”

Het valt op hoe open ze erover praten, zegt Frank Nissen. „Over bolletjeslikken bijvoorbeeld. Alsof ze een pakje boter gaan kopen.” Rob Poulus: „Bijna iedereen heeft een uitkering, vaak in combinatie met schulden. Ze kopen alles op de pof, ze denken, ze halen het toch niet meer weg, het is tweedehands.” Nissen: „Bij deze mensen moet je laten zien dat je er bent. Niet keihard de confrontatie aangaan, dan ben je ze kwijt. Wel kaders aangeven, corrigeren. Het is net het opvoeden van kinderen.”

Dat het niet makkelijk is, blijkt een paar dagen later als Nissen met twee andere hulpverleners, zogeheten Antillianenregisseurs, op bezoek gaat bij een jongen met de bijnaam Matti. Hij is 29 jaar en heeft nog nooit gewerkt. Wel heeft hij een half jaar gezeten. Hij heeft een zoontje van drie dat bij de moeder woont. Matti had een uitkering maar die is stopgezet sinds hij heeft gezeten. „Hoe betaal je dan je huis?”, vraag een van de twee regisseurs. En dan: „We gaan jullie helpen met werk. We gaan niet alleen praten, maar ook stappen nemen. Het moet van twee kanten komen.” Frank Nissen: „Lijkt de Roteb (de Rotterdamse vuilophaaldienst; red.) je wat? Matti haalt zijn schouders op. De regisseur: „Ik ken een uitzendbureau dat lassers zoekt.” Matti probeert zijn afgrijzen te verbergen.

Een week later gaan ze terug. Matti is vertrokken.