‘Niemand durft stekker uit Benelux te trekken’

Al bijna 50 jaar werken België, Nederland en Luxemburg samen in de Benelux. Heeft dat in een verenigd Europa nog zin?

„De Benelux is dood, leve de Benelux!”

Bourglinster, 13 febr. - Toen Jan van Laarhoven aan zijn medebestuurders van de St. Anna Zorggroep in Geldrop vertelde dat hij ontslag nam om „secretaris-generaal van de Benelux” te worden, kwamen er verbaasde reacties. „De Benelux? Bestaat die dan nog?”

Ja, de Benelux bestaat nog. In een kantoor in Brussel sleutelen zestig medewerkers aan afspraken die de samenwerking tussen de overheden in de drie landen moet vergemakkelijken – van politiewet tot natuurbeheer.

België, Nederland en Luxemburg hebben al tegen elkaar gezegd dat ze door willen gaan met de Benelux. Ook na 2010, als het bestaande verdrag na precies vijftig jaar afloopt. „De Benelux is dood! Leve de Benelux!”, zei minister Ben Bot van Buitenlandse Zaken.

Het regeerakkoord voor het kabinet-Balkenende IV zwijgt erover. Maar zo vanzelfsprekend is ‘doorgaan’ niet. Want lang niet iedereen is ervan overtuigd dat hun Benelux er nog steeds toe doet.

Zo staat CDA’er Van Laarhoven voor de lastige uitdaging de relevantie van de alliantie opnieuw uit te vinden. Voortborduren op successen uit het verleden is er niet bij. Daarvoor is haar ‘Europese omgeving’ te veel veranderd.

„De Benelux verkeert al geruime tijd in een midlife-crisis”, aldus de Maastrichtse hoogleraar regiobestuur Ben Hoetjes eind vorige week op een conferentie over de Benelux in het Luxemburgse Bourglinster.

De drie landen bewerkstelligden halverwege de jaren vijftig een doorbraak in de Europese samenwerking. Hoetjes: „Jarenlang gold de Benelux als proeftuin van en wegbereider voor Europese integratie. Ze liepen voorop bij het opheffen van hun binnengrenzen en vooral in economisch en monetair opzicht wezen ze Europa de weg. Maar met de voltooiing van de Europese binnenmarkt is de Benelux volledig onder de voet gelopen.”

De Benelux heeft wel geprobeerd een voortrekkersrol in Europa te houden. Maar op beslissende momenten én steeds vaker ontbrak het aan de daarvoor noodzakelijke politieke eensgezindheid.

Of het in de Europese Unie nu over de bestuurlijke inrichting, de ‘buitenlandse’ politiek, de defensiesamenwerking, de landbouwpolitiek, de begroting of de belastingen gaat, zelden tappen België, Nederland en Luxemburg nog uit hetzelfde vaatje.

„De Benelux is achterhaald”, oordeelt politicoloog Jaap Hoogenboezem van de Universiteit Maastricht. „Economisch is de missie volbracht. Politiek wordt het op afzienbare tijd toch niks. Dus ik zou zeggen: Hou er mee op! Wat er nu nog onder het mom van de Benelux gebeurt, kan net zo goed bilateraal. Maar niemand durft de stekker eruit te trekken.”

Deze weerstand bespeurde ook Maarten Vidal van de Universiteit Leuven. Met collega’s lichtte hij de Benelux door op verzoek van de Vlaamse regering. Conclusie: „De Benelux lijkt een perfecte illustratie van de wet van de institutionele inertie, die aanspoort tot het behoud van bestaande organisatiestructuren.”

Toch schetsen de Leuvense onderzoekers in hun onlangs verschenen onderzoeksverslag De Benelux: tijd voor een wedergeboorte? „een genuanceerde positieve visie” op de toekomst van de tripartiete samenwerking. Ook Hoetjes gaat stoppen te ver. De Benelux mag dan in crisis verkeren, dat wil nog niet zeggen dat er geen nuttige taken meer zijn voor de Beneluxorganisatie.

Twee taken springen er wat Hoetjes betreft uit. In de eerste plaats de grensoverschrijdende samenwerking. „Denk aan een soort bestuurlijke servicedienst voor het oplossen van allerlei praktische problemen die nu eenmaal voortvloeien uit onze geografische nabijheid. Zoals tussen gemeenten, tussen politiekorpsen, bij ziekenvervoer, maar ook bij de planning van wegen en in de ruimtelijke ordening.”

Daarnaast ziet Hoetjes kansen voor de Benelux als makelaar van Europese compromissen, bijvoorbeeld als het gaat om energiepolitiek of voedselveiligheid. „We moeten niet vergeten dat de Benelux als dealmaker een goede reputatie heeft in het buitenland.”

De vraag blijft alleen: is daar een nieuw Beneluxverdrag voor nodig? Luc Frieden, de Luxemburgse minister van Justitie, antwoordt volmondig ‘ja’. „Luxemburg wil méér Europa. Daarin is voor de Benelux een belangrijke rol weggelegd als smid van coalities die op een meerderheid in de Europese Unie kunnen rekenen.”

Jan Rood van Instituut Clingendael, die meeschreef aan het Beneluxrapport dat de Adviesraad Internationale Vraagstukken deze week uitbrengt, houdt zijn twijfels. „De Benelux is op zoek naar een missie, een strategie en politiek leiderschap. Op papier kun je dat wel invullen, maar om het echt te laten werken, is een stevig politiek commitment van de regeringen nodig. Een half uurtje bij elkaar zitten voorafgaand aan Europese ministerraden is dan absoluut onvoldoende.”

    • Joop Meijnen