Gepensioneerden aller bedrijven, verenigt u

Nu Akzo Nobel door de rechter in het gelijk is gesteld in zijn weigering pensioenen te indexeren, zullen meer bedrijven volgen. Voor gepensioneerden is het zaak om zich te verenigen, vindt B.M.S. van Praag.

Eind vorige maand werd uitspraak gedaan in een rechtszaak tussen de Vereniging van Akzo Nobel Gepensioneerden enerzijds en het moederbedrijf en het pensioenfonds anderzijds. Het gaat hierbij om de indexatie van pensioenen.

Tot voor kort was het bij Akzo gebruik dat het pensioen voor inflatie werd geïndexeerd. De eventueel daarvoor benodigde financiën verschafte het moederbedrijf. Dit betekende natuurlijk een riskante latente verplichting voor Akzo, waarvoor gereserveerd moest worden. Tot voor enige jaren hoefde deze verplichting niet in de balans verwerkt te worden. Maar in de nieuwe Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving wordt, overeenkomstig internationaal vastgestelde accountancynormen, vereist dat ondernemingen tekorten en overschotten van het eigen pensioenfonds opnemen in de eigen resultaten en balans.

Akzo had hier geen zin meer in en weigert in de toekomst nog langer te indexeren. Het pensioenfonds mag wel indexeren, maar moet dat dan zelf bekostigen. Kortom, het risico van geldontwaarding wordt verschoven van de werkgever naar de gepensioneerde. De Vereniging van Gepensioneerden heeft dit bij de kantonrechter in Arnhem aangevochten, maar is in het ongelijk gesteld.

Dit is een beslissing met enorme reikwijdte. Helaas speelt deze kwestie in een of andere vorm bij veel andere bedrijven ook, zoals bij Arcadis, Campina, Océ, VolkerWessels, Corus, DSM, SNS Reaal, en bij de werknemers die vallen onder het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds.

Deze sluipende wijziging van ons pensioenbestel verdient een publieke discussie. In zijn essentie gaat het om het volgende. Werkgever en werknemer maken afspraken over de beloning, terwijl de werknemer actief is. Deze afspraken hebben niet alleen betrekking op de actuele beloning, maar ook op ‘uitgesteld loon’ in de vorm van pensioen. De werknemers, aan wie inflatie-indexatie, dus een waardevast pensioen, in het vooruitzicht is gesteld, worden nu geconfronteerd met een eenzijdig opzeggen van nog lopende verplichtingen.

Dit is vrij gemakkelijk voor de werkgever, want de ex-werknemer zit in een zwakke positie. De actieve werknemer kan nog staken of een andere baan zoeken, maar de gepensioneerde heeft geen been om op te staan, behalve een beroep op de rechter. Maar deze laat hem, naar nu blijkt, in de kou staan.

Deze ontwikkeling markeert een breuk in het Nederlandse arbeidsbestel. Het is een symptoom van de veranderende verhoudingen tussen werkgever en werknemer. Het is een sein van de terugkeer van ‘het rauwe kapitalisme’.

De goede pensioenvoorzieningen, die nu geleidelijk worden ondergraven, hadden natuurlijk niets te maken met moraal of beschaving, maar met het feit dat langdurige arbeidsrelaties in het belang van de onderneming waren. Men was niet gebaat bij arbeidsmobiliteit, maar bij loyale werkers die vergroeid waren met hun bedrijf. Daarvoor was het vertrouwen noodzakelijk dat het bedrijf voor zijn arbeiders zorgde ‘van de wieg tot het graf’.

Tegenwoordig ligt dat anders. Het bedrijf kan gemakkelijk verhuizen naar een ander land en zijn arbeiders wegautomatiseren. En niemand weet of over twintig jaar de functies of het bedrijf zelf nog wel bestaan. Nu blijkt pas hoe zwak de gepensioneerden staan.

Er is veel voor te zeggen dat gepensioneerden zich organiseren en gaan meespreken in de cao-onderhandelingen. Op het eerste gezicht lijkt dit vergezocht, maar het is eigenlijk logisch, wanneer we ons realiseren dat de onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers niet alleen betrekking hebben op de huidige beloning, maar ook op de uitgestelde. Het is toch wel raar dat bij Akzo, waar er 19.000 gepensioneerden zijn en 12.000 actieve werknemers, de gepensioneerden helemaal niet mogen meespreken over hun eigen pensioen, maar het moeten overlaten aan vakbondsbestuurders, die kennelijk geen interesse hebben in de belangen van hun gepensioneerde broeders. En aangezien de werkers van nu over een aantal jaren ook gepensioneerd zijn, is er in feite ook nog sprake van kortzichtigheid.

Er wordt wel gesteld dat de pensioenfondsen te weinig rendement zouden maken om deze inflatiecorrectie uit te betalen. Daarvoor zou een dekkingspercentage van circa 140 procent nodig zijn. Men vergeet daarbij echter dat het fonds slechts een verlengstuk is van het bedrijf. Wanneer de premiebetalingen van het moederbedrijf te laag zijn, zal die 140 procent nooit worden bereikt. Het rendement van fondsen is circa 7 procent en op zich is het heel wel mogelijk daarvan de bescheiden inflatie van de laatste jaren te dekken.

Het probleem is echter dat de pensioenfondsen ten tijde van de beurshausse in de negentiger jaren zijn leeggemolken door de moederbedrijven en dat daarna de premies structureel te laag zijn vastgesteld om ooit nog de reserves op het juiste niveau te krijgen. Een en ander natuurlijk ten voordele van de bedrijven en de nog actieve werknemers, die de premieverschillen in kas kunnen houden of verwerken in de loonsom van de actieve werknemers.

De gepensioneerden zijn niet langer een te verwaarlozen minderheid in onze maatschappij. Zij kunnen een vuist maken. Zij móéten dit ook doen, en wel nu.

In de eerste plaats door overal verenigingen van gepensioneerden op te richten.

Ten tweede dienen de gepensioneerden mee te spreken aan elke tafel waar over hun belangen wordt onderhandeld. Dit betekent meer dan het door de nieuwe Pensioenwet toegekende adviesrecht aan een ‘deelnemersraad’, waarin ook gepensioneerden vertegenwoordigd zijn.

In de derde plaats dient er een landelijke organisatie te komen die gaat optreden voor de gepensioneerden met publiekrechtelijke bevoegdheden. De Nederlandse Bond voor Pensioenbelangen zou daarvoor misschien een kandidaat zijn.

Ten vierde dient het parlement deze belangrijke groep van de samenleving niet langer met een kluitje in het riet te sturen, maar de wetgeving zo aan te passen, dat de belangen van gepensioneerden volledig gewaarborgd zijn. Ondanks toezicht van De Nederlandsche Bank is dat nu niet het geval. Die kijkt slechts of reserves en verplichtingen met elkaar in evenwicht zijn. DNB dient niet alleen op de pensioenfondsen maar ook op de daarachter staande bedrijven toe te zien.

Prof.dr. B.M.S.van Praag is econoom en universiteitshoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.