Evenwicht en onbehagen

Bij de kabinetsformatie is de verdeling van de ministersportefeuilles ten minste zo belangrijk als de inhoud van het regeerakkoord. De machtsverhouding tussen de coalitiepartners wordt immers voor een belangrijk deel gedefinieerd door de vraag welke partij voor welk beleidsterrein verantwoordelijk wordt. Nu de derde fase van de formatie is ingegaan – het selecteren van bekwame bewindspersonen – kan worden vastgesteld dat CDA, PvdA en CU gestreefd hebben naar een resultaat dat hooguit optisch evenwichtig is.

Wat direct opvalt, is dat de partijen er niet in geslaagd zijn te komen tot een echte vernieuwing van de kabinetssamenstelling. Formateur Balkenende (CDA) en beoogd vicepremier Bos (PvdA) hebben beiden in het verleden gezegd voorstander te zijn van een zogeheten kernkabinet om de slagkracht van de ministersploeg te vergroten. De werkelijkheid van de verdeling van de macht blijkt weerbarstig. Er is zelfs een staatssecretariaat bijgekomen: op Binnenlandse Zaken.

Dat was kennelijk nodig om althans numeriek de verhouding tussen CDA en PvdA evenwichtig te laten ogen. Het CDA krijgt als grootste partij de meeste ministers, acht in getal. Met vier staatssecretarissen komen de christen-democraten uit op een totaal van twaalf bewindspersonen. Hetzelfde geldt voor de PvdA, alleen krijgen de sociaal-democraten slechts zes ministers en zes staatssecretarissen. Maar, zoals PvdA-leider Bos gisteren niet naliet te benadrukken, twee staatssecretarissen van PvdA-signatuur mogen zich in het buitenland óók minister noemen. Nu was dat al zo en bovendien krijgen zij geen stemrecht in de ministerraad. En daar draait het wat betreft de binnenlands-politieke verhoudingen wel om. In de zogeheten ‘buitenlandhoek’ van het te vormen kabinet is de PvdA er bekaaid afgekomen: een minister voor Ontwikkelingssamenwerking, die de voordeur moet delen met de minister van Buitenlandse Zaken van het CDA, en een staatssecretaris van Europese Zaken. De post van Defensie gaat immers naar de CU.

De invloed die de PvdA in potentie heeft op het kabinetsbeleid zal vooral worden uitgeoefend via het ministerie van Financiën, waar Bos zelf leiding aan zal geven. In de financieel-economische hoek krijgt hij daarbij behalve met Balkenende te maken met CDA’ers op Sociale Zaken en Economische Zaken. De invloed van de CU bij budgettaire beslissingen zou verder gegarandeerd moeten worden door ook beoogd CU-vicepremier Rouvoet daarover te laten meepraten.

Voor de posten van Jeugd en Gezin en voor Integratie en Wijkverbetering is gekozen voor programmaministers. Voor zover nu duidelijk is wat daarmee bedoeld wordt, zullen deze bewindspersonen worden ondergebracht bij de ministeries van respectievelijk Volksgezondheid en Volkshuisvesting. Het gaat hierbij om ministers die weliswaar over een eigen budget beschikken, maar die toch ook een coördinerende rol spelen. Deze constructie, bedoeld om verkokering tegen de gaan, is niet zonder risico. De vraag is bijvoorbeeld hoe programmaministers zich verhouden met de hiërarchisch gestructureerde departementen onder ambtelijke verantwoordelijkheid van de secretarissen-generaal. Idealisme kan smoren in competentiegeschillen. Daarom hangt nu veel af van de rekrutering van de bewindspersonen die doorgaans snel en chaotisch verloopt. Deze ervaring uit het verleden tempert het mogelijk optimisme.