Een groot politiek ongemak

‘Gestreefd wordt naar een wijziging en eventuele bundeling van de bestaande verdragen van de Europese Unie waarin subsidiariteit en democratisch gehalte zeker gesteld worden en die zich in inhoud, omvang en benaming overtuigend onderscheidt van het eerder verworpen grondwettelijk verdrag. Over deze en andere aspecten van die verdragswijziging(en) zal de Raad van State advies gevraagd worden.”

Met deze krappe tekst – het woord referendum valt niet – probeert het coalitieakkoord van CDA, PvdA en ChristenUnie een van de grootste politieke ongemakken van de komende jaren althans voorlopig te bezweren. Voor een deel gaat het daarbij om een intern coalitieongemak, want de partijen denken verschillend over Europa én over de vraag of er, zoals zomer 2005 met de zogenoemde Europese Grondwet gebeurde, voor zo’n verdrag behalve parlementair groen licht ook instemming van de bevolking via een (raadgevend) referendum moet worden gevraagd.

Zomer 2005 waren CDA en PvdA voor het grondwettelijk verdrag, de ChristenUnie tegen. PvdA en ChristenUnie waren voor het houden van een referendum. Het CDA was daartegen, maar had beloofd – net als het kabinet – zich bij de uitslag te zullen neerleggen.

De ironie wil dat het CDA dat deed bij monde van fractieleider Verhagen, die als nieuwe minister van Buitenlandse Zaken aan die „wijziging en bundeling” van de EU-verdragen mag werken. De ironie wil ook dat hij deze missie moet zien te volbrengen in samenwerking met premier Balkenende, die najaar 2004 het grondwettelijk verdrag tekende, maar dat sinds de voor regering en Kamermeerderheid dramatische afwijzing ervan per referendum, als „dood” heeft gekwalificeerd.

Wie wat in de tijd teruggaat, komt ook de vroegere VVD-fractieleider Van Aartsen tegen, destijds op weg naar wat het leiderschap van zijn partij had moeten worden. Hij sprak zich vrij plotseling, ondanks alle traditionele liberale bezwaren tegen referenda, uit voor het initiatiefwetsvoorstel om in het bijzondere geval van een nieuwe ‘Europese Grondwet’ een volksraadpleging te houden.

De toen heersende collectieve emoties over de invoering van de euro en over het begin van Europese toetredingsonderhandelingen met Turkije zullen van betekenis zijn geweest voor deze constitutionele handstand van de VVD. Net als het streven trouwens om zoveel mogelijk van de electorale erfenis van Pim Fortuyn binnen te halen en elders op de rechterflank Wilders wind uit de zeilen te nemen. Wellicht dacht Van Aartsen dat een door de regering getekend en door een ruime Kamermeerderheid gesteund grondwettelijk verdrag vast niet per referendum zou worden verworpen.

Maar dat was een vergissing, de impopulariteit van het kabinet, de euro, Turkije en een stevige Politikverdrossenheit telden zomer 2005 behoorlijk mee – al ging het referendum formeel niet daarover. Wat ook iets zegt over de (on)wenselijkheid van referenda in een parlementair stelsel.

Andere hoofdrolspeler was en wordt de Raad van State. De grote vraag zal zijn of de raad, in zijn advies over een eventueel veranderd EU-verdrag, anders zal denken dan in juli 2003. Toen gaf hij zijn zegen aan een initiatiefwetsvoorstel van PvdA, GroenLinks en D66 voor een raadgevend referendum omdat men het verdrag „tot op zekere hoogte zou kunnen vergelijken met een Grondwetswijziging”. Daarvoor zou anders aanvaarding „in dubbele lezing” nodig zijn, dat wil zeggen met tussentijdse Kamerontbinding en nieuwe verkiezingen (waarna voor de wijziging in „tweede lezing” een meerderheid van tweederde vereist zou zijn).

„Deze mogelijkheid is echter om diverse redenen weinig realistisch. Bovendien moet ermee worden gerekend dat in de verkiezingen de keuze van de kiezers in de praktijk vooral zou worden bepaald door hun wensen ten aanzien van het algemene, in Nederland te voeren beleid”, schreef de raad – wat na de zomer van 2005 een lach waard is. Hoe dat ook zij, de raad concludeerde dat „in vergelijking met ontbinding van de Tweede Kamer een referendum [...] een meer reële manier is om het oordeel van de kiezers over de Europese Grondwet te vragen”.

Ga er maar aan staan. Het nieuwe kabinet draagt zichzelf op om de EU-partners, die in grote meerderheid de Europese ‘Grondwet’ al hebben geratificeerd – en dat soms met moeite – , te bewegen alsnog akkoord te gaan met een andere, ‘lichtere’ versie of een andere opzet. Nu, daarvoor zullen die EU-partners weinig voelen. Zij zijn op dit stuk gehouden hun eigen burgers niet voor het hoofd te stoten. Op meer dan cosmetische wijzigingen mag waarschijnlijk niet gerekend worden.

Wat betekent dat de Raad van State nauwelijks reden heeft van zijn eerdere advies over een raadgevend referendum af te wijken. Wat, mede gelet op de voorgeschiedenis, een referendum onontkoombaar zou maken. Met alle kans dat de Nederlandse regering dan weer door de kiezers in haar hemd wordt gezet, zowel in Den Haag als in Brussel.

J.M. Bik is medewerker van NRC Handelsblad.