Doet u ons maar liever magiërs en elfen

De sciencefiction staat op uitsterven, terwijl de fantasy- literatuur regeert.

Het is de ontlezing van jonge mannen die de sciencefiction nekt.

Een still uit de film ‘The Invasion of the Saucer Men’ uit 1957. Rex/RBP Press Een still uit de film The Invasion of the Saucer Men uit 1957: ‘Wat betekent het bestaan van buitenaards leven voor de mensheid’ Rex/RBP Press Mandatory Credit: SNAP / Rex Features Ltd. FILM STILLS OF 'INVASION OF THE SAUCER MEN' WITH 1957, ITS & ALIENS! THINGS, ALIEN, GREEN MEN, LITTLE GREEN MEN, SCI-FI, COMEDY IN 1957 VARIOUS 1957, ITS & ALIENS! THINGS, ALIEN, GREEN MEN, LITTLE GREEN MEN, SCI-FI, COMEDY Rex / RBP

De Franse auteur Michel Houellebecq mag sciencefiction de enige filosofisch interessante literaire stroming van de 20ste eeuw noemen, in de 21ste eeuw staat het genre op uitsterven. In de boekhandel regeert de fantasy-literatuur. Zijn het de gevolgen van biotechnologie? Doet u ons liever magiërs en elven.

De grote aantrekkelijkheid van sf was altijd het literaire gedachte-experiment. Door middel van de gesuikerde pil van een vlot (avonturen)verhaal liet het genre je nadenken over technologische, sociologische, politieke en antropologische mogelijkheden. Wanneer kunstmatige intelligentie zich tot een hoger bewustzijn ontwikkelt, hoe moeten we er dan mee omgaan? Ontstaat er een nieuwe vorm van slavernij, of moeten we ‘burgerschap’ en ‘mensenrechten’ oprekken? Veel klassieke sf ging uit van de vraag: ‘wat als dit zo doorgaat?’ Door ontwikkelingen te extrapoleren, werd commentaar geleverd op het heden. De resultaten waren soms dystopisch van aard, maar altijd opwindend en uitdagend.

Dat zou nu net zo interessant moeten zijn als pakweg vijftig jaar geleden, zou je denken. Waarom zit de lezer er dan niet meer op te wachten? Een complex vraagstuk, vindt Orson Scott Card. De Amerikaan was de eerste schrijver die, met zijn klassieke tweeluik Ender’s Game (1985) en Speaker For The Dead (1986), twee jaar op rij de Hugo én Nebula Award won, de twee belangrijkste prijzen in het genre. In zijn essay ‘Are We at the End of Science Fiction?’ gepubliceerd in de jaarlijkse bundel Writers of the Future, inventariseert Card gangbare verklaringen voor de teloorgang. En dat zijn er nogal wat. Wetenschap heeft zich ontwikkeld tot iets submicroscopisch en ondoorgrondelijks. Alle goede ideeën zijn op. De goede schrijvers zijn overleden, de nieuwe zijn kwalitatief minder. Geschreven sf kan niet op tegen Computer Generated Imagery. Mannen lezen weinig, en vrouwen lezen liever fantasy. Schrijvers zijn lui en fantasy is makkelijker om te schrijven. Het publiek is lui en ontbeert de algemene ontwikkeling en geestelijke flexibiliteit die sf vereist. Lezers hebben zich juist ontwikkeld; het emotioneel adolescente genre is nu beneden hun stand.

De basis van sf is ‘het idee’. Zit daar ook het probleem? Alle tijdreis-paradoxen zijn inmiddels wel uitgedacht. Maar het universum is nog steeds niet ontsloten. Techniek en maatschappij bieden blijvend ruimte voor speculatie. Toch is die speelruimte kleiner geworden, vindt sf-deskundige en fantasy-auteur Wim Stolk, beter bekend onder het pseudoniem W.J. Maryson. „In landen waar sf nog een rol van betekenis speelt, zie je een verschuiving naar psychologische romans met fantastische elementen. Het genre is daarmee opgeschoven in de richting van de mainstream.”

Jacques Post, van 1989 tot 2001 uitgever van de Meulenhoff sf-reeks, meent dat het heden te weinig aanreikt dat interessant is voor speculatieve fictie. „Er zijn interessante multimediale ontwikkelingen, maar die gaan zo snel, dat een boek snel gedateerd is. Veel wetenschappelijke disciplines zijn té abstract geworden. Ze vergen steeds meer uitleg – een blok aan het been van het verhaal.” Card is minder somber. Het geweeklaag doet hem denken aan de patent-ambtenaar die in 1800 ontslag nam omdat ‘alles al uitgevonden is’. Eerder moeten we het zoeken in groeiend wantrouwen tegen baanbrekende technologie – klonen, stamcelonderzoek, gentherapie – en onverschilligheid tegen technologie die we vanzelfsprekend achten. Card: „De 20ste eeuw was van technofielen. Elke rivaliteit, zoals het Westen tegen de Roden, kreeg een element van technologische competitie. De teruglopende interesse, en het gebrek aan vertrouwen in technologie, zijn niet terug te voeren op het beslechten van de Koude Oorlog. Noch op de aard van het conflict tussen het Westen en de Islam. Ze zijn het gevolg van diepere sociale veranderingen.”

Waar iedereen het over eens is: dit is een conservatievere tijd. Een tijd van angst en introspectie, van terugvallen op oude normen en waarden, het verlangen naar de helderheid van een religieus kader. ‘The Golden Age of Science Fiction’ begon in de jaren vijftig. Een naoorlogse periode; optimistisch van aard, met geloof in vooruitgang. Dat geloof, zegt Post, is een stuk minder geworden. Fantasy-romans, met hun morele sjablonen, passen beter bij de Zeitgeist dan sf. Ze gaan niet over ontwikkelingen en mogelijkheden, maar over Goed tegen Kwaad, morele dilemma’s en het kiezen van een levenspad. In een onoverzichtelijke wereld biedt het (de schijn van) houvast. Overlevingsgezinde sf-schrijvers, als George R.R. Martin en Lois McMaster Bujold, zijn de laatste tien jaar overgestapt op fantasy. Het sf-genre heeft zo te kampen gekregen met een brain drain. Het brood moet tenslotte gesmeerd.

„Sciencefiction”, zegt Card, „was de enige belangrijke nieuwe literaire stroming tussen 1940 en 1990. Een literaire revolutie na het modernisme. Omdat de kinderen van het modernisme de dienst uitmaakten op de universiteiten, heeft het genre nooit het aanzien gehad dat het verdiende. Maar waar de hoogleraren sneerden, lazen de studenten. De rol van people’s literature is nu overgenomen door fantasy. Omdat dat de plek is waar de beste schrijvers heen gaan. Maar ook omdat het grootste literaire werk van de 20ste eeuw, Tolkiens Lord of the Rings, fantasy is.” Hoe meer sf commercieel onder druk komt te staan, hoe moeilijker het is dat tij de keren. De aandacht van de media blijft uit. Mede, zegt Stolk, door het ontbreken van ‘goede, consistente promotie’.

Literaire sciencefiction is altijd primair een genre geweest voor jongens. Dat vrouwen de boekverkoop zijn gaan domineren, vergroot de markt voor het ‘zachtere’ fantasy-genre. De ontlezing van jonge mannen nekt de sciencefiction. De cliché sf-lezer – een puisterige puber die beste maatjes is met zijn chemiedoos – heeft andere bezigheden gekregen. Internet. Games. Thuiscinema. Beeldcultuur, waar het woord niet tegenop kan.

Die beeldcultuur zit literaire sciencefiction bovendien op een andere manier dwars. Het imago van het genre wordt nu bepaald door films en tv-series. Daar gaat het met de sciencefiction juist uitstekend, mede door teruglopende kosten van special effects. Maar waar literaire sf vooral literatuur van het idee was, is visuele sciencefiction gericht op actie. Het is slechts de aankleding die overeenstemt: ruimteschepen en aliens.

Misschien dat het literaire genre verdwijnen zal. Maar dat wil niet zeggen dat het instrumentarium van de sf verloren gaat. In ‘realistische’ literatuur kan de sf-lezer steeds vaker aan zijn trekken komen. Schrijvers die zijn opgegroeid met de groten van de Golden Age, hebben het genre omarmd en de mainstream binnengeloodst. Houellebecqs kloonroman Mogelijkheid van een eiland is pure sf, datzelfde geldt voor Wolkenatlas van David Mitchell. Deze romanschrijvers zijn sf-lezers die de karakterologische en stilistische diepgang van literaire romans misten, maar de ideeënrijkdom van de mainstream te pover vonden. Door de twee te combineren voltooien ze de volwassenwording van het genre, dat niet langer een eigen getto nodig heeft om te bestaan. Card: „Sciencefiction is als commercieel label passé, maar heeft in zekere zin gewonnen. Elke schrijver kan tegenwoordig sf-elementen gebruiken.”

Sciencefiction door de geschiedenis: www.nvcc.edu/home/ataormina/scifi/history

Algis Budrys (ed.): L. Ron Hubbard Presents Writers of the Future , Vol. 22. Galaxy Press, 500 blz. € 8,99