De oorlog winnen in Irak? Dat kan!

Door Vietnam denken veel Amerikanen dat guerrillero’s onoverwinnelijk zijn.

De geschiedenis leert echter dat de strijd in Irak nog niet verloren is. Maar de tijd dringt.

De naakte, harde waarheid over de strategie van de regering-Bush om extra troepen naar Irak te sturen, is dat zij wel eens zou kunnen werken. Opstanden zijn zelden zo sterk of succesvol als het publiek vaak denkt. De diverse rebellengroepen in Irak zijn erin geslaagd een hoop chaos te veroorzaken. Maar zij zijn waarschijnlijk niet sterk genoeg om op langere termijn de overhand te krijgen.

De mythen over onoverwinnelijke guerrillero’s en opstandelingen zijn een direct gevolg van Amerika’s collectieve misvattingen over de nederlaag in Zuid-Vietnam. Dat verlies wordt meestal toegeschreven aan de genialiteit en de militaire gewiekstheid van de in pyjama’s geklede Vietcong. Maar de Vietnamezen mogen taai en volhardend zijn geweest, ze waren niet geniaal. Ze hadden eerder geluk, want ze stonden tegenover een tegenstander wiens leiders niet bereid waren om van hun fouten te leren: de Verenigde Staten.

Toen de Vietcong tijdens het Tet- offensief in 1968 rechtstreeks de confrontatie met Amerikaanse troepen aanging, werd hij gedecimeerd. Toen Zuid-Vietnam in 1975 uiteindelijk viel, was dat niet door toedoen van de Vietcong, maar van reguliere eenheden van het binnenvallende Noord-Vietnamese leger. De opstand van de Vietcong leverde een grote bijdrage aan de afkalving van de wil van het Amerikaanse publiek om te vechten, maar dat geldt ook voor de manier waarop president Lyndon Johnson en het Amerikaanse leger de oorlog voerden. Het waren de wilskracht van Noord-Vietnam en het Amerikaanse falen, en niet zozeer het behendige gebruik van een opstand, die de sleutel tot de overwinning van Hanoi vormden.

Soortgelijke misverstanden bestaan ook over de nederlaag van de Sovjet-Unie in Afghanistan. Het was niet zozeer de kracht van de mudjahedin die de Sovjets tot de terugtocht dwong; het was de economische en politieke zwakte van de Sovjet-Unie zelf. Het regime dat de Sovjets in Afghanistan op de been hadden gehouden, bleek in feite zo sterk dat het tot drie jaar na het vertrek van het Rode Leger aan de macht wist te blijven.

De geschiedenis kent uiteraard geslaagde opstanden. De triomf van Fidel Castro op Cuba is waarschijnlijk de bekendste, naast de gedeeltelijke overwinning van de IRA in 1922 op de Engelsen en de nederlaag van de Fransen in de Algerijnse onafhankelijkheidsoorlog tussen 1954 en 1962. Maar de lijst van mislukte opstanden is langer: de Maleisische communisten, de Griekse communisten, de Filippijnse Huks, de Nicaraguaanse Contra’s, de communisten in El Salvador, Che Guevara in Bolivia, de Boeren in Zuid-Afrika (tweemaal), Jonas Savimbi in Angola, en Sindero Luminoso in Peru, om er maar een paar te noemen.

Als de huidige Amerikaanse regering zijn wilskracht behoudt, Bagdad veilig weet te maken en erin slaagt de regering en het leger naar behoren te laten functioneren, is er geen reden dat de Iraakse opstand niet op dezelfde wijze de kop kan worden ingedrukt, of minstens kan worden teruggebracht tot het niveau van schamele terreuraanslagen.

Opstanden mislukken meestal als het enige waar ze toe in staat zijn het voeren van een ongeregelde oorlog is. Succesvolle beoefenaars van de kunst van de guerrillastrijd, van Nathanael Greene in de Amerikaanse Revolutie tot Mao Zedong in de Chinese burgeroorlog, hebben gehamerd op het bezit van een regulier leger, waaraan hun guerrillakrachten voornamelijk hand- en spandiensten verleenden. Opstanden hebben te kampen met inherente zwakheden en nadelen ten opzichte van een gevestigde staat. Zij moeten het stellen zonder overheidsgezag, vaste trainingskampen en veilige aanvoerlijnen. Het gevaar is dat opstandelingen deze zaken kunnen bewerkstelligen, als ze daarvoor de tijd krijgen. En als ze die eenmaal hebben, zijn ze een aardig eind op weg om zichzelf op te werpen als een reëel en krachtig alternatief voor de regering.

Daarom is de werkelijke vraag in Irak niet of de opstand kan worden verslagen – dat kan. De echte vraag is of de VS de kans wellicht al gemist hebben om zijn voedingsbodem weg te nemen. De VS zijn er niet in geslaagd de veiligheid van de Iraakse bevolking te garanderen. Het gevolg is een klimaat van angst en onzekerheid in de delen van het land die door de opstandelingen worden overspoeld, met name Bagdad. Dit ondermijnt het vertrouwen in de gekozen Iraakse regering en maakt het haar lastig haar autoriteit te laten gelden in de door de opstandelingen beheerste gebieden.

Maar het sturen van extra troepen kan een zeldzame kans op succes bieden – als het Pentagon en het Witte Huis maar geleerd hebben van hun vroegere fouten. In zijn recente toespraak over Irak gaf Bush die fouten ook toe, waardoor de hoop is gegroeid dat ze niet zullen worden herhaald.

Dat is welkom nieuws, omdat één ding zeker is: de tijd raakt op. Het verslaan van een opstand duurt meestal acht tot elf jaar. De regering heeft de Amerikaanse publieke opinie slecht bespeeld, om maar te zwijgen over de manier waarop de oorlog is gevoerd, zodat zij een groot deel van haar potentiële steun al heeft verloren. De tragedie van de oorlog in Irak kan zijn dat de nieuwe strategie te laat is gekomen om een zeldzame, beslissende overwinning van de opstandelingen te voorkomen.

Donald Stoker is hoogleraar strategie en beleid bij het Monterey Program van het U.S. Naval War College.