Binnen blijven

Het stellige advies om bij een storm binnen te blijven, roept bij sommigen juist het verlangen op onmiddellijk naar buiten te gaan.

Op straat komen alleen nog de dapperen voorbij, een enkeling zelfs stoer lachend op de fiets. De politie heeft, om voorbijgangers op het gevaar van vallende dakpannen te attenderen, rood-witte linten gespannen voor onze huizenrij, die flapperen en knallen in de wind. Een vrouw worstelt zich kromgebogen over de brug en staat even later met fladderend haar aan de brugleuning haar muts na te kijken die in het water ligt. Mijn overburen zijn op hun woonboot bezig de loopplank vast te sjorren met een extra lijn. Aan de achterkant van het huis scheurt de klimop los van de muur en de zwiepende twijgen van de rode beuk naast mijn kamerraam zijn een kermisattractie voor halsbandparkieten geworden, tot zelfs deze acrobaten zich met hun grijpklauwtjes niet meer kunnen vasthouden en rücksichtslos de boom uitgeblazen worden.

Op de radio wordt vanuit een heus crisiscentrum gemeld dat wie niet noodzakelijk naar buiten moet, ten stelligste wordt geadviseerd om binnen te blijven – waarop prompt de ongehoorzame burger in mij ontwaakt. Was ik zojuist nog blij dat ik fijn thuiszat, nu begin ik onrustig door het huis te ijsberen en sjaals, haarbanden en handschoenen te verzamelen. Geen paraplu, dat is alleen maar gevaarlijk. De kinderachtige neiging tot recalcitrantie is onweerstaanbaar.

Zodra ik voor mijn huis onder de dol geworden linten door duik, word ik opgenomen in het kleine, selecte legioen der onverschrokkenen. Voorzover de over straat geblazenen elkaar kunnen aankijken, is het met instemming. Wij trotseren de elementen. Het eerste object dat me tegemoet komt waaien als ik de hoek omsla, is een roze bloeiende geranium: een treffende verzinnebeelding van het broeikasklimaat waaraan we zo onderhand echt moeten geloven. Het tweede is een ‘te koop’-bord op ooghoogte dat losgeraakt is en me bijna in het gezicht kletst. Heldhaftigheid is mooi, maar vind je dat na een gebroken neus of een beschadigd netvlies ook nog?

Ik ben nog niet halverwege de zijstraat of er barst een plensbui los die me in een halve minuut doorweekt. Iemands bril vliegt van zijn hoofd en komt voor mijn portiek terecht. Ik loop door naar de buurtwinkel. Die blijkt een vrijplaats in de storm, zoals een kerk in oorlogstijd. Er staan natte, verwaaide mensen te schuilen, onder wie een vrouw die ik ken, dus we knopen een praatje aan. Eigenlijk kende ik haar moeder, die nu hoogbejaard moet zijn als ze nog leeft, beter dan haarzelf, dus ik vraag voorzichtig hoe het met haar gaat.

„Poeh...”, zegt ze op een manier van breek-me-de-bek-niet-open, „ik ben woedend op haar! Weet je wat er vanmiddag gebeurd is? Mijn broer belde op. Hij woont vlakbij haar, dus hij dacht: even kijken of bij mamma alles in orde is. Ze is nu 93, we lopen vaak bij haar aan. Er werd niet opengedaan, maar hij heeft een sleutel, dus hij loopt zo door. Hij ziet haar nergens en holt naar boven, naar haar slaapkamer op tweehoog. Daar krijgt hij door de trek die er staat amper de deur open, want wat blijkt? Mamma staat buiten op het platje dat het voor- en achterhuis verbindt een loodzware bloembak te verschuiven!”

„Is ze een beetje dement?”

„Dement? Ze is kiener dan mijn broer en ik bij mekaar. Ze weet precies hoe het kabinet geformeerd moet worden en ze zit in over het smelten van de ijskappen.”

„Wat deed ze dan op dat platje?”

„O, ze heeft van die Franse luiken voor de openslaande deuren. Van een daarvan was de vastzethaak uit de muur gewaaid, zodat die deur stond te klapperen. Ze wilde er gewoon een bloembak tegenaan schuiven. Mijn broer zegt: waarom heb je mij dan niet gebeld? Zegt ze: ach, ik dacht: dan moet jij weer hierheen komen door die wind; ik doe het zelf wel even.”

„Een frauw naar me hart...”, ontvalt een sportieve bejaarde in trainingspak die het verhaal mede heeft staan aanhoren. En gedrieën staan wij te grinniken, zodat de druppels uit onze natte haren schudden.

Op de terugweg is de wind nog heviger geworden. Een grote flard groen dekzeil schicht tussen de geparkeerde auto’s door als een uit zijn biotoop verdwaalde reuzenhagedis. Een nog steeds niet weggehaalde kerstman die tegen een balkon opklimt klappert vervaarlijk aan zijn bevestigingspunt; die haalt de volgende Kerstmis niet. Mijn overbuurman hangt nu vrijwel op zijn buik over zijn loopplank.

Het is heerlijk om weer thuis te zijn en droge kleren aan te trekken. Op de radio zegt een ernstige mannenstem: „Blijf binnen, ook als u uw bestemming nog niet bereikt hebt.”

Ik loop hier lang over na te denken.