Betoog Emmer ontbeert harde bewijzen

Ontwikkelingshulp is geen gepasseerd station. Wie dat beweert, laadt de verdenking op zich de successen moedwillig te negeren, meent Abdullah A. Mohamoud.

Het pleidooi van P.C. Emmer een punt te zetten achter de ontwikkelingssamenwerking is geslaagd als provocatie, maar helpt de discussie over ontwikkelingshulp niet verder. In tegenstelling tot wat Emmer beweert heeft ontwikkelingshulp veel bijgedragen aan het Afrika dat je dagelijks in landen als Botswana, Ghana en Zuid-Afrika aan het werk kunt zien.

Het is waar dat hulp alléén niet voldoende is om een land tot ontwikkeling te brengen. Hulp voegt waarde toe aan de economische ontwikkeling van een land, met name als er een omgeving is die economische groei aanmoedigt. Dat is in de drie genoemde landen – maar ook elders – het geval.

Er zijn drie redenen waarom ik het met Emmers pleidooi niet eens ben.

Ten eerste wordt zijn abstracte boodschap in het artikel niet ondersteund door concrete bewijzen. We hebben argumenten nodig die gebaseerd zijn op feitenmateriaal, want alleen zo kunnen we leren hoe we de ontwikkelingssector kunnen verbeteren.

Het herkauwen van abstracte standpunten draagt daar niet aan bij. Wat helpt zijn casestudies en andere bewijsstukken uit programma’s die op specifieke plaatsen of in bepaalde landen zijn uitgevoerd. Daarmee haal je de positieve resultaten naar boven, de beste benaderingen, de successen – en natuurlijk ook de mislukkingen en de lessen die getrokken kunnen worden uit die ervaringen.

Ten tweede heeft Emmer de neiging zich te verliezen in generalisaties over Afrika. Alsof het één gebied is en geen continent met 54 verschillende landen die zich allemaal in een verschillende fase van hun ontwikkeling bevinden.

Het probleem is dat gedaan wordt alsof alle landen in heel Afrika voor dezelfde soort uitdaging staan. De ontwikkelingsprocessen van de laatste decennia hebben echter een hele serie ‘Afrika’s’ opgeleverd en die realiteit dwingt ons ertoe deze verschillende Afrika’s verschillend te benaderen. In de praktijk is dat natuurlijk allang het geval, maar Emmer is nog niet zo ver.

De derde reden is het ahistorische karakter van Emmers betoog. Daardoor lukt het hem niet de vragen te stellen die centraal zouden moeten staan in het Nederlandse ontwikkelingsdebat: wat kunnen we leren van veertig jaar ontwikkelingsbeleid en -praktijk?

Wat kunnen we leren van de successen en de mislukkingen? Welk beleid heeft geleid tot resultaat? Welk niet? Waar en waarom? En welke specifieke lokale omstandigheden hebben in specifieke Afrikaanse landen een rol gespeeld, als hinderpaal of juist als steun in de rug?

Emmer lijkt op opiniemakers als Arend Jan Boekestijn, Ayaan Hirsi Ali en anderen. Die werden bekritiseerd omdat ze zichzelf hadden uitgeroepen tot instant experts op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, daarbij niet gehinderd door verkeerde – of helemaal geen – kennis van veertig jaar ontwikkelingshulp in Afrika.

Emmer doet iets dergelijks. Hij doet simplistische voorstellen die meer te maken hebben met populisme dan met kennis en inhoud.

Ontwikkelingswerk is niet op een mislukking uitgelopen. Maar we moeten verder kijken dan de termen ‘succes’ en ‘mislukking’. Als we een betekenisvolle discussie willen over ontwikkelingssamenwerking, dan moeten we creatief en doelgericht voortbouwen op de opgedane ervaring, zodat we in de toekomst nog betere resultaten kunnen boeken.

Dr. Abdullah A. Mohamoud is directeur van het Directeur African Diaspora Policy Centre in Amsterdam.