Wonderbaarlijk...

Het omslag van de twaalfde druk van 'Nooit meer slapen' uit 1974, met een foto van dr. W. F. Hermans

Is er leven na de dood van Hermans?’. Zo luidde de titel van de avond die vrijdag rondom de in 1995 overleden schrijver werd georganiseerd. Een retorische vraag, want Hermans zelf leeft nog volop. In elk geval zijn werk, want maar liefst twee van zijn romans drongen door tot de shortlist van Nederlands favoriete fictieboek (zie www.hetbesteboek.nl). Genoeg reden om van Willem Frederik Hermans de eerste auteur te maken die door onze literaire ambassadeurs de lucht in wordt gestoken.

Voor De donkere kamer van Damokles, de roman uit 1958 over een slappeling die door zijn sterkere dubbelganger het verzet wordt ingetrokken, hadden we voor een gloedvol betoog kunnen denken aan een goed-foutspecialist op het gebied van de Tweede Wereldoorlog; of een psychiater die zich bezighoudt met gespleten persoonlijkheden; of een beroemde fotograaf. Maar de ambassadeur diende zich twee weken geleden zelf aan, op de opiniepagina van de Franse krant Le Monde. Het was de Frans-Tsjechische romancier Milan Kundera, die La chambre noir de Damoclès, maanden nadat het verschenen was, karakteriseerde als een ‘rijke, onwaarschijnlijk rijke roman’. Kundera putte zich uit in complimenten voor deze ‘exact en droog geschreven’ thriller: ‘Die esthetiek heeft me gegrepen: een roman die bezeten is van het werkelijke en tegelijk gefascineerd door het onaannemelijke en het vreemde. Komt het doordat oorlog per definitie allerlei onverwachte, buitenissige gebeurtenissen met zich meebrengt, of getuigt het van de esthetische intentie het alledaagse te verlaten en, om een geliefde term van de surrealisten te gebruiken, in contact te komen met het wonderbaarlijke?’ En hij besluit: ‘Ik heb Hermans’ boek dichtgeslagen met een gevoel van dankbaarheid jegens mijn eigen onkunde; die heeft me een stilte cadeau gedaan waardoor ik de stem van deze roman heb kunnen horen in al zijn zuiverheid, in alle schoonheid van het onverklaarbare, het onbekende.’

Vertalingen Martin de Haan