Waarom Henny Huisman iets van politiek moet weten

Volgens mij was het bij de VPRO, op de radio. Een paar gasten discussieerden over het aanstaande kabinet, en meer speciaal over de vraag of Maxime Verhagen een betere minister van Buitenlandse Zaken zou zijn dan Ben Bot. Aangenaam leuteren. Radio vind ik bij dat type programma’s (vooral als ook luisteraars mogen meedoen) altijd net een kraan die is opengedraaid, en als niemand ‘m bijtijds dichtdraait sta je tenslotte tot over je knieën in de praat. Maar je kunt er zowel bij lezen als in slaap vallen.

Ik schrok wakker toen ik de gespreksleider zich tot Henny Huisman hoorde wenden. Wat die er van vond.

Henny Huisman?

Ja, waarom ook niet, was mijn tweede gedachte. Helemaal los van die man z’n grote verdienste voor de Mini Playback Show en van zijn oprechte verlangen om ooit kennis te krijgen aan de god van Andries Knevel, heb ik hem op de meeste andere terreinen weliswaar altijd voor een betrekkelijk onbenul aangezien – maar waarom zou een betrekkelijk onbenul niet mogen kiezen tussen twee christen-democratische kandidaten op BZ?

Hij koos, maar ik ben vergeten wie. Hij vond het onderwerp kennelijk zo ver boven z’n macht liggen dat hij er van begon te hakkelen, en zelf liet ik me ondertussen afleiden door de vraag waarom de VPRO voor dit thema nou speciaal hém had uitgenodigd.

Camp, besloot ik. Camp is, zoals bekend, iets mooi vinden dat lelijk is. Of eigenlijk doen alsóf je iets mooi vindt, dat lelijk is. Dus bijvoorbeeld allemaal tegelijk afspreken dat niets zo prachtig is als Henkjan Smits die de X-factor meet van een wicht dat niet kan zingen. Collectiviteit is een belangrijke voorwaarde voor camp. Een andere voorwaarde is uiteraard een zekere hovaardigheid. Je moet je zo ver boven iets verheven voelen, dat het daar beneden in de verte juist weer goud kan lijken.

Ik heb het media-watchers nog niet horen opmerken, maar volgens mij zijn radio, televisie en ook kranten onderhevig aan een snel toenemende vercamping, die je zou kunnen vergelijken met de vernichting van het nationaal en Eurovisie Songfestival.

Stellen Heleen van Royen en Marlies Dekkers, de schrijfsters van Stout, iets voor? Nee natuurlijk. Vinden ze daarentegen bij Samen Leven &cetera, de zaterdagse bijlage van NRC Handelsblad die je zou kunnen opvatten als het RTL Boulevard van de geschreven pers, dat de dames juist ontzettend véél voorstellen? Vast niet. Waarom heeft de redactie dan een hele (voor)pagina aan hun boek gewijd? Toch niet omdat Marlies alle filosofen zou hebben gelezen? Of omdat Heleen de opvattingen van Schopenhauer, Kant en Hegel over vrouwen ‘de fluks overboord te werpen bijvangst van verwarde geesten’ noemt? Ben je gek. Omdat ze camp zijn.

Ze waren vrijdagavond ook al bij Pauw en Witteman, het tweemanscollectief dat z’n gasten steeds principiëler als camp bejegent. Of het nou stoute meisjes zijn, of het is Klaas de Vries die graag wordt gekozen in de Eerste Kamer, of iemand met een beetje loenzig oog die mag vertellen dat hij onophoudelijk bidt voor de afschaffing van de abortuswet – Jeroen Pauw kan bijna z’n lachen niet houden terwijl hij doet alsof hij naar ze luistert. Het gaat in dat programma ook niet om de genodigden. Het gaat om hun camp-gehalte.

Wat me in het voorbije, leerzame weekeinde ook nog opviel was de ogenschijnlijke schaarste aan gasten. Iedereen – krant of beeld – had bijvoorbeeld Midas Dekkers– alsof er niet minstens nog duizend andere bekende Nederlanders zijn.

Midas Dekkers camp? Niet van nature. Maar als je binnen twee etmalen twaalf keer wordt gehuldigd, en twaalf keer alles relativeert behalve jezelf, kom je aardig in de buurt.

In de moderne publiciteit eindigt iedereen als Henny Huisman.

Lees alle eerdere columns van Jan Blokker terug op nrc.nl/blokker